Zoeken

9958 resultaten gevonden

  1. VR 2026/19 Bijrijder na ongeval overleden. Alternatief scenario van verontschuldigbare onmacht niet aannemelijk. Veroordeling overtreding art. 6 WVW 1994.

    Jurisprudentie

    De verdachte wordt verweten dat hij als beginnend bestuurder door zeer onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij zijn bijrijder is overleden. Vaststaat dat hij op een onverlichte 60-km-weg met een snelheid van ongeveer 135 km/u heeft gereden. In een bocht raakte de auto in een drift, waarna deze van de weg raakte en tegen twee bomen botste. Uit EDR-gegevens blijkt dat de auto 0,5 seconden vóór de botsing 123,07 km/u reed en tijdens de botsing 98,38 km/u. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van verontschuldigbare onmacht, omdat de verdachte voorafgaand aan

  2. VR 2026/20 Vrijspraak dood door schuld. Geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

    Jurisprudentie

    Verdachte raakt als bestuurder van een auto betrokken bij een verkeersongeval met een fietser. Als gevolg van het ongeval komt de fietser om het leven. Op de plaats van het ongeval geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Uit onderzoek blijkt dat verdachte heeft gereden met een minimale snelheid van 71,51 kilometer per uur. De verbalisant ruikt bij het eerste contact met verdachte een alcohollucht en de verdachte vertoont uiterlijke kenmerken van alcoholgebruik. Het resultaat van de blaastest op het voorselectieapparaat duidt op een waarde tussen de 300 en 430 microgram alcohol per

  3. VR 2026/21 Dekman valt van schip. Letselschade. Aansprakelijkheid werkgever en/of schip.

    Jurisprudentie

    Op 19 december 2012 raakte X als terminaloperator bij ECT ernstig gewond toen hij aan boord van het containerschip van Cosco Europe door een opening viel tijdens het sluiten van een scheepsluik. De looppaden waren rommelig door lashingmateriaal, ondanks herhaalde verzoeken van X om dit op te ruimen. Hierdoor kon hij de veiligheidsprocedure niet volledig volgen. ECT erkende aansprakelijkheid en stelde vervolgens Cosco aansprakelijk. Volgens het Marintec-rapport was het ongeval het gevolg van onveilige omstandigheden en het niet naleven van veiligheidsprocedures. In eerste aanleg vorderde ECT

  4. VR 2026/22 Regresvordering verzekeraar. Aanvang verjaringstermijn. Redelijkheid en billijkheid.

    Jurisprudentie

    In 2013 hield Ziggo een bedrijfsfeest bij evenementenlocatie Brothers. Een medewerker van Ziggo kwam daar ten val op een nabijgelegen parkeerterrein en liep daarbij blijvend letsel op. De verzekeraar van Ziggo, Nationale Nederlanden (NN), stelt dat Brothers naast Ziggo aansprakelijk is voor deze schade en vordert regres voor het aan de werknemer uitgekeerde bedrag van € 230.000,-. Brothers betwist die aansprakelijkheid en beroept zich op verjaring. De werknemer stelde Ziggo in 2017 aansprakelijk, waarna aansprakelijkheid aanvankelijk werd afgewezen. In 2019 vond een voorlopig getuigenverhoor

  5. VR 2026/23 Ernstig verkeersongeval. Verhaalsvordering van verzekeraar. Aansprakelijkheid wegbeheerder

    Jurisprudentie

    Op 8 september 2019 vond een aanrijding plaats op een fietspad in Haarlem tussen een bromfietser en een sportfietser. De sportfietser reed als laatste in een groep van vijf wielrenners. De botsing gebeurde bij de overgang van een houten brug naar asfalt, waar het pad smal is en een hobbel in het wegdek zit. De eerste vier fietsers konden de bromfietser passeren, maar de vijfde fietser botste tegen zijn spiegel en kwam ten val. De sportfietser overleed later aan zijn verwondingen. De bromfietser verklaarde dat hij snelheid minderde, probeerde uit te wijken en gepoogd had om de fietser te

  6. VR 2026/24 Letselschade na val tijdens training hondencursus. Aansprakelijkheid bedrijf.

    Jurisprudentie

    Op 4 februari 2020 vond een ongeval plaats tijdens een hondentraining in de trainingshal van De Bréborgh. Tijdens de training was een parcours met hindernissen uitgezet. Toen de hond van appellant (A) bij een tunnel weigerde verder te lopen en A een stap achteruit deed, kwam hij ten val op een natte plek en liep hij ernstig armletsel op. A stelt dat De Bréborgh haar zorgplicht had geschonden. De door De Bréborgh genomen maatregelen – het beschikbaar stellen van dweilmateriaal en instructies aan deelnemers – waren volgens hem onvoldoende en ook ontbraken er waarschuwingsborden. In het

  7. VR 2026/25 Verkeersongeval. Geremd voor overstekende hond. Verkeersnoodzaak?

    Jurisprudentie

    Op 14 juli 2018 vond een verkeersongeval plaats op de A20. Daarbij botste een Renault Megane, bestuurd door Y en verzekerd bij Euro Insurances (vertegenwoordigd door AMS), met de rechtervoorzijde tegen de linkerachterzijde van een Kia Picanto. De Kia werd bestuurd door X en was verzekerd bij TVM. Het ongeval ontstond doordat de Kia, die op de linkerrijstrook reed, plotseling en krachtig afremde, waarna de achteropkomende Renault een aanrijding niet meer kon voorkomen. De rechtbank Den Haag oordeelde op 9 augustus 2023 dat TVM als WAM-verzekeraar aansprakelijk was voor de schade die uit het

  8. VR 2026/26 Zorgplicht van de Staat. Geen aansprakelijkheid voor schade overleden dochter.

    Jurisprudentie

    Eisers zijn de ouders van A, die in 2021 door een misdrijf om het leven gekomen is. Verdachte X heeft tijdens de voorlopige hechtenis een einde aan zijn leven gemaakt. Het OM heeft X niet meer strafrechtelijk kunnen vervolgen dus hebben eisers zich niet als benadeelde partij kunnen voegen in de strafzaak tegen X. Hierdoor hebben zij hun schade (shockschade, affectieschade en overlijdensschade) niet binnen het strafproces kunnen verhalen en spreken zij nu de Staat hiervoor aan. Zij stellen dat de Staat ernstig tekort is geschoten in zijn zorgplicht. Volgens eisers wist of had de Staat moeten

  9. VR 2026/27 Verzekeringsrecht. Uitsluitingsclausule. Auto total loss. Schrikborrel.

    Jurisprudentie

    Nadat X met zijn leaseauto in de sloot was beland, werd de auto total loss verklaard. De auto was allrisk verzekerd bij Univé, maar die weigert dekking. Volgens Univé heeft X onder invloed van alcohol gereden, waardoor een uitsluitingsclausule in de polisvoorwaarden van toepassing is. X stelt dat hij het ongeval kreeg doordat hij moest uitwijken en remmen voor een dier. Hij zou pas ná het ongeval alcohol gedronken hebben in de vorm van een zogenoemde “schrikborrel”. Hij vordert daarom dat Univé de schade aan zijn leasemaatschappij dient te vergoeden. De rechtbank stelt voorop dat een

  10. VR 2026/28 Patiënt overlijdt na vluchtpoging. Falend toezicht of gebrekkig opstal? Aansprakelijkheid GGZ-instelling.

    Jurisprudentie

    In maart 2024 overleed A op 29-jarige leeftijd na een vluchtpoging uit een gesloten HIC-afdeling van GGZ inGeest. Hij had sinds 2021 ernstige psychische klachten en verbleef daar sinds oktober 2023 op grond van een zorgmachtiging. Op 10 januari 2024 verplaatste A samen met een medepatiënt een voetbaltafel naar de patio en gebruikte deze om over de muur te klimmen. Daarbij viel of sprong A in een achterliggende gracht, waarbij hij ernstig letsel opliep. A belandde in een coma en op verzoek van zijn familie werd A overgebracht naar een ziekenhuis in Turkije. Daar overleed A zonder bij bewustzijn

  11. VR 2026/29 Verkeersongeval wegens alcoholgebruik. Uitleg beding niet-uitkeren aan verzekerde.

    Jurisprudentie

    In de nacht van 23 februari 2022 raakte de auto van X total loss door een verkeersongeval. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht. Volgens het proces-verbaal van de politie werd het ongeval veroorzaakt door een combinatie van alcoholgebruik, vermoeidheid en hoge snelheid, waardoor hij de macht over het stuur verloor en tegen de betonnen middenberm botste. Door het ongeval ontstond schade aan het wegdek en de middenberm, waarvoor Rijkswaterstaat de verzekeraar van X aansprakelijk stelde. Verzekeraar Univé heeft hiervoor € 33.438,97 betaald. Univé vordert maximaal € 5.000,- van X, vermeerderd met

  12. VR 2026/30 Aansprakelijkheid. Zzp-er werkzaam als onderaannemer aangevallen door bewoonster.

    Jurisprudentie

    Verzoeker X is zelfstandig schilder en werkte als ZZP’er voor verweerster B bij een nieuwbouwproject. Na klachten over het schilderwerk kreeg hij opdracht tot herstelwerk bij een woning. Door miscommunicatie over de werkzaamheden en het tijdstip ontstond een conflict tussen X en de bewoners. De situatie escaleerde waarbij verweerder C hem fysiek aanviel. X liep lichamelijk en psychisch letsel op en heeft aangifte gedaan. Getuigen bevestigen het geweldsincident. In dit deelgeschil verzoekt X om hoofdelijke aansprakelijkheid van hen vast te stellen voor zijn schade als gevolg van de mishandeling

  13. VR 2026/31 Begroting van smartengeld in beweging,

    Artikel
    In 1959 verscheen de eerste tabel van rechterlijke uitspraken over (de hoogte van) smartengeld in Verkeersrecht.1) In dat nummer lichtte de Delftse advocaat Th. L. van der Veen zijn eerste pogingen toe vanuit de gedachte dat bekendheid met andere uitspraken zowel voor rechters als voor partijen bij hun onderhandelingen kan bijdragen aan het vinden van een antwoord op de vraag wat in voorkomend geval een juist bedrag zou zijn.2) Het betrof een eenvoudige lijst van bijna 120 grotendeels niet gepubliceerde uitspraken met een rubricering naar letsel verdeeld over een 10-tal categorieën, vermelding van een aantal maatschappelijke omstandigheden (arbeidsongeschiktheid, ziekenhuisopname) en steeds vermelding van het beroep van het slachtoffer. Vijf jaar later verscheen de tweede, aanzienlijk langere lijst van circa 250 uitspraken waarvan een groot deel inmiddels gepubliceerd.3) De letselindeling bleef gelijk, werd iets uitgebreid en de rubricering binnen een categorie vond plaats naar volgorde van het toegewezen bedrag. Deze opzet is tot op heden niet losgelaten. Vanaf de derde druk in 1967 werden de uitspraken genummerd en vanaf de vierde druk in 1970 werd een inflatiecorrectietabel opgenomen. Het aantal uitspraken was inmiddels gegroeid tot ruim 500. De frequentie van de verschijning nam ook toe van eenmaal in de vijf jaar, naar om de drie jaar en vervolgens ieder jaar. Inmiddels is de 31e editie van de Smartengeldgids verschenen.
  14. VR 2026/32 Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW

    Artikel
    Bijlage bij 'Begroting van smartengeld in beweging' Aanbevelingen voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW Aanbevelingen hanteren Rotterdamse Schaal Geldend vanaf 1 januari 2026 * * Zie: https://www.rechtspraak.nl/voor-advocaten-en-juristen/reglementen-proce… Inleiding In opdracht van de Raad voor de Rechtspraak hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam een model beschreven om tot een meer eenduidige vaststelling van smartengeld te komen. Dit model, dat gebaseerd is op de Engelse (en Ierse)
  15. VR 2026/33, Bestuursuitspraak Verzoek handhaving nachtelijk toegangsverbod parkeerterreinen terecht afgewezen. Geen openbare weg in zin Wegenwet. Verkeersbesluit niet vereist.

    Jurisprudentie

    Staatsbosbeheer heeft bij een aantal parkeerterreinen een bord geplaatst met de tekst dat de toegang tussen zonsondergang en zonsopkomst verboden is. Een stichting verzocht het college om handhavend op te treden, omdat volgens haar de parkeerterreinen openbare wegen zijn en afsluiting daarom alleen mag met een verkeersbesluit op basis van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank oordeelde dat het college niet bevoegd is om handhavend op te treden. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dat oordeel. De Afdeling stelt dat alleen handhavend kan worden opgetreden tegen

  16. VR 2026/34, Bestuursuitspraak Meervoudige kantonuitspraak nietig.

    Jurisprudentie

    De betrokkene stelde beroep in omdat de officier van justitie niet tijdig had beslist op zijn administratief beroep in een Wahv-zaak. De rechtbank behandelde de zaak in een meervoudige kamer en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Het hof oordeelt dat wet niet voorziet in de mogelijkheid van meervoudige kantonrechtspraak. Gelet hierop is de beslissing van de rechtbank nietig. Het hof stelt vast dat de officier van justitie te laat heeft beslist. Nadat de beslistermijn was verstreken, heeft de gemachtigde van de betrokkene de officier van justitie in gebreke gesteld. Omdat vervolgens niet

  17. VR 2026/35, Strafuitspraak Motorrijder rijdt tegen bakfiets. Dood door schuld. Roekeloosheid.

    Jurisprudentie

    Verdachte is een bestuurder van een motorfiets. Bij het naderen van de middengeleider ziet verdachte drie auto’s langzaam rijden dan wel stilstaan. In plaats van achter deze auto’s aan te sluiten, besluit de verdachte de auto’s links in te halen. Hij rijdt vervolgens over de verkeersgeleidingsstrook met wit puntstuk, negeert het op de verkeerszuil geplaatst verkeersbord dat aanwijst dat rechts van de vluchtheuvel gebleven moet worden en rijdt met zijn motor links van de middengeleider - en dus over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer. Vóór de drie auto’s rijdt een vader op zijn bakfiets

  18. VR 2026/36, Civiele uitspraak Claim affectieschade zus van slachtoffer levensdelict. Kring van personen recht op affectieschade.

    Jurisprudentie

    In de ochtend van 12 maart 2021 is in een sloot in Amsterdam een stoffelijk overschot aangetroffen. Het bleek een 22-jarige man te zijn, die eerder als vermist was opgegeven. Uit onderzoek naar de doodsoorzaak is gebleken dat het slachtoffer is overleden is aan de gevolgen van een inschotverwonding aan het hoofd. In het strafproces van de verdachte heeft de zus van het slachtoffer (A) zich als benadeelde partij gevoegd en € 17.500,- aan affectieschade gevorderd. Dit cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof om A affectieschade toe te kennen en daarbij de

  19. VR 2026/37, Civiele uitspraak Verzekeringsrecht. Moment aansprakelijkheidsstelling bepalend voor aanvang verjaringstermijn?

    Jurisprudentie

    In november 2009 kreeg een werkneemster van Rabobank tijdens haar werkzaamheden een eenzijdig auto-ongeval. Rabobank had destijds een aansprakelijkheidsverzekering bij Zurich, waarvan de dekking per 1 oktober 2009 was uitgebreid tot aansprakelijkheid op grond van artikel 7:611 BW (goed werkgeverschap). Op 24 september 2014 berichtte de advocaat van de werkneemster Rabobank dat zij zich na het ongeval niet als goed werkgever zou hebben gedragen en dat de werkneemster haar rechten ondubbelzinnig voorbehield. Ter voorkoming van verjaring werd de brief aangemerkt als een stuitingsmededeling. Op 25

  20. VR 2026/38, Civiele uitspraak Begrip ‘roekeloosheid’ conform artikel 7:952 BW. Botsing auto’s. Eigen schuld voorligger.

    Jurisprudentie

    Appellanten houden zich voor werk bezig met goederenvervoer over de weg. In januari 2021 botste A met zijn Dodge Ram achterop een auto die zonder verlichting vanaf een tankstation de weg opreed. De Dodge Ram was WA-verzekerd bij Allianz. Met de bestuurder van de aangereden auto is een minnelijke regeling getroffen, waarbij 75% van diens schade is vergoed door Allianz. Op de verzekering waren de voorwaarden BST16 van toepassing, waarin dekking bij opzet of roekeloosheid is uitgesloten, een mededelingsplicht geldt en een verhaalsrecht is opgenomen bij uitkering op grond van de WAM zonder dekking

Zoektips

  • Check of de spelling van de zoekterm klopt
  • Weet u het publicatienummer van een uitspraak of artikel, toets dan bijvoorbeeld in “2021/68”. Het publicatienummer dient dus tussen aanhalingstekens te staan. (N.B.: artikelen hebben vanaf 2011 een publicatienummer; uitspraken hebben allemaal een publicatienummer.) Om een artikel of uitspraak te vinden met een publicatienummer onder de 10 of vlak onder de 100, is het soms nodig om er een nul voor te typen. Bijvoorbeeld “2022/08” of “2021/090”.
  • Gebruik meerdere zoektermen voor een zo relevant mogelijk resultaat:
    • Zoekt u een artikel/uitspraak waarin zowel ‘auto’ als ‘stoplicht’ voorkomt, toets dan in: auto AND stoplicht
    • Zoekt u op één van de woorden, dan toetst u de woorden gewoon los in (auto stoplicht). Het zoekresultaat bevat dan alle artikelen/uitspraken/columns waarin auto en/of stoplicht voorkomt.

Nog niet gevonden wat u zoekt? Neem contact met ons op. Wij helpen u graag!