VR-kort *

Civielrechtelijke aspecten van de schadevergoedingsmaatregel

Bij wet van 23 december 1992 is in art. 36f Wetboek van Strafrecht een bijzondere figuur geïntroduceerd in het strafrecht: de schadevergoedingsmaatregel. Bijzonder, omdat de oplegging ervan in belangrijke mate wordt bepaald door civielrechtelijke maatstaven. Oplegging van de maatregel resulteert vervolgens evenwel in een strafrechtelijke schuld aan de Staat. De ter voldoening van de maatregel betaalde bedragen dient de Staat vervolgens door te geleiden naar het slachtoffer, dat geen schuldeiser maar dus wél begunstigde is van de maatregel.

Vergt het wetsvoorstel afwikkeling massaschade een bijzondere wijze van schadeberekening? Nee

Het wetsvoorstel afwikkeling massaschade in een collectieve actie heeft tot doel een efficiënte en effectieve collectieve afwikkeling van massaschade te bevorderen door het mogelijk te maken op de voet van artikel 3:305a BW een collectieve actie tot schadevergoeding in te stellen. In de memorie van toelichting (MvT) op het wetsvoorstel gaat opvallend weinig aandacht uit naar het punt dat in het verleden steeds werd beschouwd als onoverkomelijk beletsel voor een collectieve schadevergoedingsactie, te weten: men kan schadevergoeding niet collectief beoordelen, omdat schadevergoeding in beginsel concreet wordt berekend en dus afhankelijk is van de individuele vordering betreffende omstandigheden. Die individuele omstandigheden kunnen binnen een collectieve procedure niet in acht worden genomen, zo was de gedachte.

Voldoende belang in collectieve acties: drie maal artikel 3:303 BW

Artikel 3:303 BW bepaalt dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. In de rechtspraktijk is voldoende belang evenwel een ambigu leerstuk, dat men met enige regelmaat vergeet toe te passen. Vooral bij algemeen belang-acties blijkt art. 3:303 BW de nodige problemen op te leveren. In het veelbesproken Urgenda-vonnis heeft de rechtbank bijvoorbeeld nagelaten te toetsen aan het vereiste van voldoende belang en hebben partijen sterk uiteenlopende ideeën over de betekenis van art. 3:303 BW. Ook in de rechtszaak van Milieudefensie tegen de Staat inzake de luchtkwaliteit ging het mis. De rechtbank verklaart een deel van de eisers niet-ontvankelijk op grond van art. 3:303 BW, maar het blijft onduidelijk waarom het vereiste van voldoende belang dit vergaande oordeel zou rechtvaardigen.

Verzwijging en causaal verband: over de redelijk handelend verzekeraar

Een aspirant-verzekeringnemer moet vóór het aangaan van een verzekering de verzekeraar de feiten meedelen die hij kent of behoort te kennen en waarvan hij weet of behoort te begrijpen dat daarvan de beslissing van de verzekeraar afhangt of kan afhangen om de verzekering te sluiten (art. 7:928 lid 1 BW). Art. 7:930 BW regelt de gevolgen van het niet-voldoen aan deze mededelingsplicht. In twee gevallen hoeft de verzekeraar bij een schending van de mededelingsplicht niet uit te keren. Dat is het geval als de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten (art. 7:930 lid 4 BW) en als de verzekeringnemer of verzekerde heeft gehandeld met het opzet de verzekeraar te misleiden (art. 7:930 lid 5 BW). Deze bijdrage gaat over de eerstgenoemde situatie.

Milieuzones: twee varianten voor diesels

Bezitters van een personenauto die rijdt op diesel, kunnen op twee manieren te maken krijgen met een milieuzone in Nederland. Gemeenten die een milieuzone zouden willen invoeren, krijgen de mogelijkheid om auto’s ouder dan 15 jaar of ouder dan 20 jaar in hun zone te weigeren.
Benzine-auto’s zijn geen onderdeel van de harmonisering van milieuzones. Bovendien besluit iedere gemeente zelf of er een milieu-zone wordt ingevoerd. Dat heeft staatssecretaris Stientje van Veldhoven (Infrastructuur en Waterstaat) onlangs aan de Tweede Kamer geschreven.

Pagina's