VR-kort *

Arbeidsvermogensschade van jonge kinderen: naar een nieuwe wijze van schadeberekening vanuit het perspectief van gelijkebehandelingswetgeving

In het letselschaderecht is de wijze van schadeberekening voor het verlies van arbeidsvermogen de laatste jaren steeds meer aan kritiek onderhevig. Al geruime tijd staat ter discussie of de positie van jonge letselschadeslachtoffers een alternatieve wijze van schadeberekening rechtvaardigt. Ter onderbouwing van dergelijke hervormingen wordt een aantal argumenten aangevoerd. Allereerst is de vaststelling van de hypothetische situatie bij jonge kinderen zeer lastig en speculatief. Daarnaast zet de huidige wijze van schadeberekening aan tot vele discussies tussen procespartijen, hetgeen het procesverloop niet ten goede komt. De huidige wijze van schadeberekening zorgt voor discussies tussen het slachtoffer en de aansprakelijke, juist omdat het lastig is concrete aanknopingspunten aan te wijzen die richtinggevend zijn voor de ontwikkeling van het kind als het geen ongeluk had gehad.

Scheidslijnen tussen kansschade, proportionele aansprakelijkheid en de omkeringsregel: enkele praktische opmerkingen over de verschillen tussen deze drie leerstukken naar aanleiding van HR 27 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2786

In aansprakelijkheidskwesties heeft de benadeelde niet zelden moeite om onzekerheid over het causaal verband tussen normschending en schade te overwinnen. Dit was ook het geval in de zaak die in dit artikel wordt besproken. In deze zaak ging het om de vraag of het ziekenhuis aansprakelijk was voor schade als gevolg van een beroepsfout van een arts. In weerwil van de richtlijn om bij een acute hernia zo snel mogelijk te opereren, was daar bij de patiënte bijna twintig uur mee gewacht. In geschil was of de nadien opgetreden lichamelijke klachten ook zouden zijn ontstaan bij een tijdige ingreep.

De patiëntenkaart-discussie als deelgeschil: een nog weinig benutte mogelijkheid

De patiëntenkaart van de benadeelde is in de letselschadepraktijk regelmatig onderwerp van discussie. Een verzekeraar heeft soms behoefte aan inzage in de patiëntenkaart, maar benadeelden zijn niet altijd bereid inzage te geven. Deze ‘patiëntenkaart-discussie’ is daarom vaak een onderwerp van gerechtelijke procedures, maar de jurisprudentie is grillig gevormd. Over de vragen of een benadeelde zijn patiëntenkaart dient te verstrekken, aan wie (medisch deskundige, verzekeraar, medisch adviseur), over welke periode en in welke fase van het schaderegelingstraject/de procedure, kunnen rechters verschillend oordelen. Dat geldt nog meer ten aanzien van de vraag of een verzekeraar in rechte inzage in de patiëntenkaart kan afdwingen.

Een vordering voor angstschade?

Angst is een belangrijke en krachtige emotie die volgt op de dreiging van naderend onheil of gevaar. Het is de vraag of het recht een vergoeding biedt voor de angstschadevordering. Het gaat dan om schade als gevolg van angst die niet zo ernstig is dat deze een erkend psychiatrisch ziektebeeld oplevert. De Rechtbank Noord-Nederland heeft in haar uitspraak van 1 maart 2017 een vordering voor vergoeding van zulke angstschade erkend voor de slachtoffers van de aardbevingen in Groningen.

Opzet verzekerd

In het eerste PIV-Bulletin van 2018 is een verslag opgenomen van het symposium van de Erasmus School of Law over opzet en verzekerbare schade. Onderdeel van het symposium was ook de vraag of slachtoffers van opzettelijk veroorzaakte letselschade toch op een meer eenvoudige manier hun schade vergoed zouden moeten krijgen. Het pleidooi daarvoor werd gehouden door Mr. A.J.J.G. Schijns en was geheel in lijn met haar proefschrift ‘Naar een verzekerd slachtofferrecht, Effectief schadeverhaal van slachtoffers van misdrijven via het private verzekeringsrecht’. De kern van dat proefschrift is dat er een wetswijziging zou moeten worden doorgevoerd die het verbod bevat voor een verzekeraar om zich jegens het slachtoffer erop te beroepen dat opzettelijk veroorzaakte schade van dekking is uitgesloten.

Pagina's