dood door schuld

VR 2026/92 Chauffeur vuilniswagen. Vrijspraak dood door schuld.

Jurisprudentie

Verdachte bestuurde een vuilniswagen en had het voertuig aan de rechterzijde van de weg tot stilstand gebracht, zodat zijn collega’s oud papier konden verzamelen. Nadat het oud papier was ingeladen, trok verdachte op en reed rechtdoor. Na enkele seconden hoorde verdachte een klap en stopte vervolgens omdat een voorbijganger zijn aandacht trok. Toen verdachte uitstapte, zag hij dat hij in botsing was gekomen met een fietser die aan het ongeval was overleden. De fietser had de stilstaande vuilniswagen kort daarvoor aan de linkerzijde gepasseerd. Vanwege de smalle rijbaan en een passerende

VR 2026/90 Dodelijk verkeersongeval, vuilniswagen, inhalende fietser, aanmerkelijke schuld.

Jurisprudentie
Een bestuurster van een vuilniswagen trekt, nadat zij heeft stilgestaan om een vuilcontainer te legen, weer op zonder een fietser, die zich links naast dan wel vóór de vrachtwagen bevindt op te merken en voor te laten gaan. Zij botst met de linker voorzijde van de vrachtwagen tegen de achterzijde van de fiets, waarna de fietser ten val komt en wordt overreden. De rechtbank stelt vast dat het optrekken na het legen van de container een bijzondere manoeuvre is, zodat verdachte op grond van artikel 54 RVV 1990 het overige verkeer moet laten voorgaan. Uit forensisch verkeersonderzoek volgt dat de

VR 2026/89 Eenzijdig ongeval, overlijden bijrijder, alcohol, snelheid, niet roekeloos, wel zeer onoplettend en onvoorzichtig rijgedrag.

Jurisprudentie

Op 11 december 2022 veroorzaakte de verdachte een eenzijdig verkeersongeval waarbij zijn bijrijder overleed. De verdachte reed met een snelheid van 133 tot 146 kilometer per uur in een 50 km-zone en had een bloedalcoholpromillage van 1,20 mg/ml. Voorafgaand aan de rit had hij alcohol gedronken en geslapen in de auto van een vriend, waarna hij door de bijrijder werd gewekt om naar huis te rijden. De rechtbank heeft de verdachte onder 1 primair veroordeeld voor overtreding van artikel 6 en artikel 8 WVW 1994 en partieel vrijgesproken van roekeloosheid. Het hof oordeelt dat de ernstige

VR 2026/35, Strafuitspraak Motorrijder rijdt tegen bakfiets. Dood door schuld. Roekeloosheid.

Jurisprudentie

Verdachte is een bestuurder van een motorfiets. Bij het naderen van de middengeleider ziet verdachte drie auto’s langzaam rijden dan wel stilstaan. In plaats van achter deze auto’s aan te sluiten, besluit de verdachte de auto’s links in te halen. Hij rijdt vervolgens over de verkeersgeleidingsstrook met wit puntstuk, negeert het op de verkeerszuil geplaatst verkeersbord dat aanwijst dat rechts van de vluchtheuvel gebleven moet worden en rijdt met zijn motor links van de middengeleider - en dus over de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer. Vóór de drie auto’s rijdt een vader op zijn bakfiets

VR 2026/20 Vrijspraak dood door schuld. Geen verwijtbare aanmerkelijke onvoorzichtigheid.

Jurisprudentie

Verdachte raakt als bestuurder van een auto betrokken bij een verkeersongeval met een fietser. Als gevolg van het ongeval komt de fietser om het leven. Op de plaats van het ongeval geldt een maximumsnelheid van 60 kilometer per uur. Uit onderzoek blijkt dat verdachte heeft gereden met een minimale snelheid van 71,51 kilometer per uur. De verbalisant ruikt bij het eerste contact met verdachte een alcohollucht en de verdachte vertoont uiterlijke kenmerken van alcoholgebruik. Het resultaat van de blaastest op het voorselectieapparaat duidt op een waarde tussen de 300 en 430 microgram alcohol per

VR 2026/19 Bijrijder na ongeval overleden. Alternatief scenario van verontschuldigbare onmacht niet aannemelijk. Veroordeling overtreding art. 6 WVW 1994.

Jurisprudentie

De verdachte wordt verweten dat hij als beginnend bestuurder door zeer onvoorzichtig rijgedrag een verkeersongeval heeft veroorzaakt waarbij zijn bijrijder is overleden. Vaststaat dat hij op een onverlichte 60-km-weg met een snelheid van ongeveer 135 km/u heeft gereden. In een bocht raakte de auto in een drift, waarna deze van de weg raakte en tegen twee bomen botste. Uit EDR-gegevens blijkt dat de auto 0,5 seconden vóór de botsing 123,07 km/u reed en tijdens de botsing 98,38 km/u. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van verontschuldigbare onmacht, omdat de verdachte voorafgaand aan

VR 2025/143 Epileptische aanval vrachtwagenchauffeur. Verdachte was niet medicatietrouw, reed onder invloed en was door zijn aandoening onbevoegd om een vrachtwagen te besturen.

Jurisprudentie

Bewezenverklaring art. 6 WVW 1994. Een vrachtwagenchauffeur krijgt een epileptische aanval en verliest daardoor de controle over zijn voertuig. De vrachtwagen rijdt hierdoor van de dijk af en komt terecht op een groep mensen die onderaan de dijk aan het barbecueën zijn. Daarbij komen zes personen en een ongeboren kind om het leven. De rechtbank overweegt dat verdachte door een neuroloog was gewaarschuwd dat hij medicatietrouw moet zijn, een regelmatig slaap-waakritme moet hebben en geen drugs moet gebruiken. Verdachte heeft desondanks zijn medicatie niet dagelijks op een vast tijdstip

VR 2025/131 Extreme snelheidsovertreding voldoende voor bewezenverklaring van roekeloosheid.

Jurisprudentie
Verdachte rijdt met een snelheid van ongeveer 243 tot 255 kilometer per uur over een afstand van tien kilometer op de autosnelweg. Met deze snelheid rijdt verdachte vervolgens tegen de linkerachterzijde aan van een andere auto. Als gevolg van dit ongeval, overlijdt een inzittende en twee anderen lopen zwaar lichamelijk letsel op. De verdediging bepleit dat het tenlastegelegde roekeloosheid niet kan worden bewezen. Artikel 5a WVW verbiedt namelijk het in ernstige mate schenden van de verkeersregels (meervoud), terwijl verdachte slechts één verkeersregel heeft geschonden, namelijk het

VR 2025/130 Aanrijding met fietser op voorrangskruising. Geen momentane onoplettendheid. Veroordeling voor artikel 6 WVW 1994.

Jurisprudentie
Verdachte nadert als bestuurder van een personenauto een kruispunt waar fietsers voorrang hebben. Verdachte verleent geen voorrang aan een overstekende fietser, die als gevolg van de aanrijding overlijdt. Verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij het slachtoffer niet heeft gezien. Het hof overweegt dat het slachtoffer op meerdere momenten zichtbaar moet zijn geweest en dat verdachte op al die momenten de gelegenheid had om te stoppen. Nu verdachte verklaart dat zij het slachtoffer niet heeft gezien, kan het niet anders dan dat verdachte op al die momenten niet de nodige voorzichtigheid en

VR 2025/115 Vrijspraak na dodelijke aanrijding met fietser. Rijgedrag was niet aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, danwel gevaarzettend of hinderlijk.

Jurisprudentie

Verdachte rijdt als bestuurder van een taxi over de bus/trambaan. Deze baan bevindt zich tussen de twee reguliere rijstroken. Op de rijbaan rechts van verdachte is sprake van langzaam rijdend verkeer. Het latere slachtoffer, een fietser, komt van rechts en verleent voorrang aan twee auto’s op deze reguliere rijstrook en fietst dan, ogenschijnlijk zonder naar links te kijken, het kruisingsvlak op. Op de bus/trambaan wordt de fietser van links geschept door de auto van verdachte, als gevolg waarvan het slachtoffer overlijdt. De rechtbank spreekt verdachte vrij van zowel overtreding van art. 6