dood door schuld

VR 2020/47 Dood door schuld? Mobiele telefoon.

Jurisprudentie
De verdachte heeft op de fiets het slachtoffer, lopend met een rollator op de Arnhemsestraatweg, aangereden. Het slachtoffer is daardoor gevallen en overleden.De verdachte heeft het slachtoffer niet waargenomen. Of dit gekomen is omdat zij enkele seconden haar blik heeft geworpen op haar telefoon om te zien hoe laat het is - vergelijkbaar met een blik werpen op een horloge - kan niet worden vastgesteld. Het slachtoffer moet voor verdachte wel zichtbaar zijn geweest en zij had haar rijgedrag daarop moeten afstemmen. Deze enkele verkeersfout is voor het hof evenwel onvoldoende om te komen

VR 2020/34 Dood door schuld. Technisch gebrek. Zorgplicht.

Jurisprudentie
De verdachte heeft op 12 mei 2016 op de A2 te Den Bosch een trekker met oplegger met een laadvermogen van 35.000 kg, beladen met rijplaten, bestuurd en waarbij twee van de in totaal twaalf wielen van deze oplegger zijn losgekomen, doordat de moeren die deze wielen op hun plek moesten houden, waren losgekomen van de bouten. Eén van deze wielen is daarbij terechtgekomen op een rijdende personenauto, waardoor deze is verongelukt, ten gevolge waarvan de bestuurder van die personenauto om het leven is gekomen.Een vrachtwagenchauffeur leert in zijn opleiding voor het rijexamen om elke dag voor

VR 2020/13 Dood door schuld. Rijden onder invloed. Strafmaat.

Jurisprudentie
De verdachte heeft zich op 9 oktober 2016 aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gedragen door na het nuttigen van te veel alcoholhoudende drank te gaan autorijden en tijdens het rijden de bestuurder van een fiets, het latere slachtoffer, niet te zien en daardoor zijn verkeersgedrag niet aangepast aan de aanwezigheid van de bestuurder van de fiets. Als gevolg daarvan is hij met de door hem bestuurde personenauto in aanrijding gekomen met het slachtoffer. Slachtoffer is ten gevolge van de aanrijding komen te overlijden. De verdachte is die dag omstreeks 16:25 uur ter plaatse aangehouden en

VR 2020/12 Dood door schuld. File. Kop-staart-botsing. Beroepschauffeur.

Jurisprudentie
De verdachte is met zijn vrachtwagen op een stilstaande file gebotst ten gevolge waarvan een ander om het leven is gekomen. De verdachte is zijn snelheid niet gaan minderen op en vanaf het moment dat hij had kunnen zien - en behoren te zien - dat vóór hem sprake was van steeds langzamer rijdend tot bijna stilstaand verkeer. Vanaf dat moment was er nog in ruime mate de tijd om zijn snelheid aan te passen. Het overige verkeer, waaronder ook voor de vrachtauto van verdachte rijdende vrachtwagens, was wel ruimschoots in staat om op tijd snelheid te minderen of tot stilstand te komen zonder een

VR 2020/11 Kop-staartbotsing. Dood door schuld? Gevaarzetting.

Jurisprudentie
De verdachte heeft als bestuurster van een motorrijtuig (personenauto) op de weg, de Rijksweg A27, gereden. Zij heeft op die weg de snelheid van haar voertuig niet voldoende geminderd bij het naderen van haar voorligger en heeft geen of onvoldoende stuurbeweging met haar auto gemaakt toen haar auto de auto van haar voorligger naderde. Zij is vervolgens tegen de linker achterkant van de auto van het slachtoffer aangereden. Hierbij is de auto van het slachtoffer (meermalen) over de kop gegaan en in een nabij die rijbaan gelegen sloot terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is gedood. In

VR 2020/10 Dood door schuld? Aanrijding bij duisternis. Gevaar voor de veiligheid op de weg.

Jurisprudentie
De verdachte botste met de door haar bestuurde auto achterop een fietser die daardoor overleed. De verdachte reed niet harder dan ter plaatse was toegestaan. Voorts was de snelheid van de verdachte in de gegeven omstandigheden niet zodanig hoog dat haar handelen als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig kan worden aangemerkt. Het verwijt dat de verdachte kan worden gemaakt, is dat zij geen, in elk geval onvoldoende rekening heeft gehouden met de mogelijke aanwezigheid van fietsers op de rijbaan en daarop onvoldoende haar snelheid heeft aangepast om een aanrijding te kunnen voorkomen. De

VR 2019/209 Dood door schuld? Medeplegen? Gevaarzetting.

Jurisprudentie
Verdachtes vader heeft met de door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid - 167 km/u waar 50 km/u was toegestaan - en onder invloed van alcohol gereden en is daarbij gebotst op een auto die vanuit een uitrit de weg opreed. De bestuurster van deze auto kwam hierbij om het leven. Verdachte reed met eveneens zeer hoge snelheid achter zijn vader aan. Hij bracht zijn auto tijdig tot stilstand. Geen bewijs voor medeplegen van dood door schuld, wel voor het in gevaar brengen van de veiligheid van het verkeer op de weg.

VR 2019/208 Dood door schuld. Geen roekeloosheid.

Jurisprudentie
De verdachte heeft met de door hem bestuurde personenauto met zeer hoge snelheid - 167 km/u waar 50 km/u was toegestaan - en onder invloed van alcohol gereden en is daarbij gebotst op een auto die vanuit een uitrit de weg opreed. De bestuurster van deze auto kwam hierbij om het leven. Dit rijgedrag moet worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig, maar kan niet worden beschouwd als roekeloos in de zin van artikel 175, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachtes zoon reed met eveneens zeer hoge snelheid achter de verdachte aan maar er is geen bewijs voor een snelheidswedstrijd.

VR 2019/202 Dood door schuld. Bestuurder van politieauto. Optische en geluidssignalen.

Jurisprudentie
De verdachte is, terwijl het verkeerslicht in zijn richting rood licht uitstraalde, met de door hem bestuurde politieauto over de busbaan een grote kruising opgereden met een snelheid van ten minste 90 km/u, waarbij alleen al de remweg even lang was als de gehele kruising, en is in botsing is gekomen met het slachtoffer dat van rechts op een snorfiets aankwam. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gereden en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 WVW 1994 is te wijten.Dat kan in

VR 2019/184 Zwaar lichamelijk letsel door schuld? Causaal verband. Gevaar.

Jurisprudentie
Gelet op het verkeersgedrag van X - het maken van een bijzondere manoeuvre met flinke snelheid - en het aandeel dat hij heeft gehad in de botsing, is het hof van oordeel dat het verkeersongeval niet in redelijkheid is toe te rekenen aan het gedrag van de verdachte, ook al getuigt het gedrag van de verdachte van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.