Waarom het rekensjabloon van het nieuwe model moet worden aangepast

Mr. J.M. Tromp
In november 2014 is door de werkgroep ‘Denktank Overlijdensschade’ (hierna: de Denktank) een nieuwe methode gelanceerd voor de berekening van een overlijdensschade. Dat nieuwe model bestaat uit twee delen, te weten een economisch rekendeel 1, dat normatief neutraal is, en een juridisch deel 2, waarin keuzes kunnen worden gemaakt. Zo is in deel 2 discussie mogelijk met betrekking tot onder andere 1. de verrekening van tot uitkering gekomen verzekeringen, 2. de verdeling van de schade over de nabestaanden en 3. de vraag of het schadebedrag voor een minderjarig kind op een BEM-rekening moet worden gestort.
In februari 2015 is de nieuwe methode van de Denktank door De Letselschade Raad tot richtlijn verheven. Dat nieuwe model heeft de auteur in juni 2015 aan een juridische analyse onderworpen. Daarin heeft hij twee punten van kritiek geuit, namelijk 1. het advies van de Denktank om de gezinsschade niet over de vorderingsgerechtigden te verdelen is in strijd met het wettelijk kader, en 2. het gederfd levensonderhoud in natura van alle vorderingsgerechtigden moet beter worden onderscheiden van het gederfd levensonderhoud in geld. In dit artikel zal de auteur die twee punaises nog wat verder oppoetsen.
Waar het de auteur om gaat, is dat het rekensjabloon in deel 1 zodanig wordt aangepast dat het financieel effect van de in deel 2 te maken keuzes eenvoudig kan worden doorgerekend. Dat is nu namelijk niet het geval. Na een toelichting op het feit dat men dezelfde dingen anders kan zien en na een bespreking van het grote verschil tussen de beide modellen, toetst de auteur het nieuwe model nogmaals aan het juridisch kader, waarna hij een praktische oplossing formuleert.
Het is mogelijk om extra kolommen tussen de ‘gezinskolommen’ te voegen waarin de betreffende bedragen over de gezinsleden kunnen worden verdeeld op basis van dezelfde uitkomsten van het spel ‘Troep’ onder het oude model. Vervolgens zou na de kolom ‘schade gezin’ een kolom kunnen worden opgenomen waarin de schade per gezinslid wordt vermeld. Wellicht dat de Nibud-verdeelsleutel voor het verdelen van de schade over de gezinsleden daarbij behulpzaam kan zijn. Het Nibud heeft namelijk ook onderzocht hoe groot de procentuele aandelen zijn van de kinderen in de gezinsconsumptie. Het lijkt goed om aan het Nibud de controlevraag te stellen of de bedoelde percentages van de verdeelsleutel ook bruikbaar kunnen zijn bij de verdeling van het gezinsinkomen, zoals dat onder het oude model gebruikelijk was.
Van belang is om te realiseren dat het tot dusver alleen nog maar gaat over het gederfd levensonderhoud in geld. Het gederfd levensonderhoud in natura komt daar nog bij. Volgens de Denktank kan dat in de kolom bijgekomen uitgaven (BU) worden meegenomen. Dat verdient heroverweging. Via de verdeelsleutel van het Nibud zou dan namelijk een deel van de schade van de kinderen worden verschoven naar de ouder. Het voorstel van de auteur is om de kolom BU uitsluitend en alleen voor (correcties op) het gederfd levensonderhoud in geld te reserveren.
Er is veel te zeggen voor de opname van een extra kolom ‘natura’. Daardoor kan niet alleen voor het hele gezin, maar ook per gezinslid de schade worden weergegeven, net zoals dat in het oude model ook werd gedaan. Door in het nieuwe model op diverse plaatsen persoonlijke kolommen toe te voegen waarin het persoonlijk gederfd levensonderhoud (1) in geld en (2) in natura kan worden opgenomen, kan het nieuwe model niet alleen ‘108-proof’, maar ook ‘jurisprudentieproof’ worden gemaakt.
Als alle persoonlijke kolommen bij elkaar worden opgeteld, kan de totale (verschenen en toekomstige) jaarschade voor de individuele gezinsleden eenvoudig worden weergegeven. Dat werkt met name heel erg praktisch als er minderjarige kinderen tussen de gezinsleden zitten. Op basis van een dergelijk overzicht kan dan de toestemming aan de kantonrechter worden gevraagd voor zowel de gehele regeling als de jaarlijkse gefaseerde vrijgave van de toekomstige jaarschaden, waarvan het totaalbedrag op een BEM-rekening behoort te worden gestort.
Zolang het rekensjabloon in deel 1 van het nieuwe model niet wordt aangepast, is het in de praktijk een goed en werkbaar alternatief om de oude methode te blijven gebruiken, met standaard 1. toepassing van 60% vaste lasten en 2. toepassing van de Haagse schaal in plaats van de Amsterdamse schaal. Als die twee aspecten tot ‘norm’ zouden worden verheven, dan zou het oude model net zo eenvoudig toepasbaar zijn als het nieuwe model.

Bron: 
TvP 2018, afl. 4, p. 151-160