Smartengeld wegens spanning, frustratie, ergernis en (ander) onbehagen? Over het begrip ‘persoonsaantasting’ buiten lichamelijk en geestelijk letsel

Prof. mr. S.D. Lindenbergh
Met het arrest van 15 maart 2019 heeft de Hoge Raad kleur gegeven aan de aantasting van de persoon ‘op andere wijze’ in art. 6:106 onder b BW. In een wat cryptische formulering oordeelde de Hoge Raad in 2012 dat de ‘bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer’ een uitzondering kunnen rechtvaardigen op de regel dat geestelijk letsel noodzakelijk is voor het aannemen van een persoonsaantasting ‘op andere wijze’. In zijn arrest van 15 maart kiest de Hoge Raad uitdrukkelijk voor een nevenschikking: ‘Daarnaast (naast objectiveerbaar geestelijk letsel) kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106 onder b BW bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is.’
Deze veel algemenere formulering roept de vraag op hoe deze categorie van gevallen ten opzichte van de in de wet genoemde vormen van persoonsaantasting (lichamelijk letsel, schending van eer en goede naam) moet worden gepositioneerd, bepaald en begrensd.
De auteur gaat eerst in op de wettelijke achtergrond van het recht op smartengeld. Vervolgens bespreekt hij wanneer in ieder geval een aanspraak op smartengeld wordt aanvaard. Daarna verkent hij de contouren van de restcategorie (persoonsaantasting ‘op andere wijze’ zonder dat sprake is van geestelijk letsel), welke typen gevallen daaronder kunnen worden gebracht, waarin zij haar begrenzing kan vinden en hoe de bestaande rechtspraak zich hiertoe verhoudt.
De auteur concludeert dat uit het arrest allerminst blijkt dat de Hoge Raad ook een wezenlijk ruimer toepassingsbereik heeft beoogd. De enkele schending van een fundamenteel recht is onvoldoende, maar tegelijkertijd zullen het vooral gevallen van schending van fundamentele rechten zijn die het aannemen van een persoonsaantasting rechtvaardigen. Beslissend zal moeten zijn dat het gaat om normschendingen van een zekere ernst, die persoonsbelangen van een zeker gewicht raken, waardoor gevolgen van een zekere ernst aannemelijk zijn.
De bestaande rechtspraak wordt door het nieuwe criterium genoegzaam gefundeerd en laat zich er over het algemeen goed onder brengen. De Nederlandse rechter lijkt hier dus reeds een zekere ‘common ground’ te hebben gevonden.

Bron: 
NTBR 2019, afl. 6, p. 122-130