Shockschade in het strafproces: recente ontwikkelingen

Mr. A.H. Sas
De civiele kamer van de Hoge Raad heeft voor toewijzing van een shockschadevordering in het Taxibus-arrest strikte voorwaarden gesteld en in het Vilt-arrest bepaald dat deze voorwaarden niet mogen worden afgezwakt in verband met de aard of ernst van de normschending. Toch laten deze voorwaarden ruimte voor interpretatie. De lagere rechtspraak laat dan ook een rijk geschakeerd beeld zien. Hierbij speelt de strafrechter een zekere rol, al was het maar omdat deze veel vaker dan zijn civiele collega shockschadevorderingen beoordeelt.
Aanleiding voor deze bijdrage zijn de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad alsmede van die van de feitenrechtspraak. De auteur behandelt eerst de vordering benadeelde partij voor zover in dit kader van belang. Daarna wordt de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad behandeld, gevolgd door de recente jurisprudentie over shockschade van de feitenrechter. Voor wat het laatste betreft is voornamelijk gebruik gemaakt van uitspraken die in de periode 1 januari 2016 tot en met 1 september 2017 op rechtspraak.nl zijn gepubliceerd.
Dat toewijzing van een shockschadevordering in het strafproces volgens de Hoge Raad mogelijk is, blijkt uit twee in 2016 gewezen arresten (HR 27 september 2016 en HR 4 oktober 2016). De lijn van de Hoge Raad lijkt er op neer te komen dat een shockschadevordering in beginsel door de strafrechter kan worden behandeld en voor toewijzing vatbaar is, indien de vordering niet wordt betwist dan wel rechtstreeks uit een schriftelijke verklaring van een deskundige kan worden afgeleid dat er sprake is van geestelijk letsel.
Uit de jurisprudentie van de strafkamers van de Hoge Raad en die van de rechtbanken en de hoven komt naar voren dat de strenge eisen die de Hoge Raad stelt aan geestelijk letsel over het algemeen lijken te worden gevolgd. Dit heeft als gevolg dat de strafrechter behandeling van shockschadevorderingen vaak een onevenredige belasting voor het strafproces vindt. Het is in dit verband spijtig dat de strafrechter niet bereid is om strafzaken aan te houden om behandeling van de shockschadevordering van de benadeelde partij mogelijk te maken. De benadeelde heeft daar immers groot belang bij, in verband met de schadevergoedingsmaatregel die de strafrechter kan opleggen en de daaraan gekoppelde voorschotregeling. De jurisprudentie laat echter ook zien dat, indien een shockschadevordering wordt onderbouwd met stukken van deskundigen waaruit het geestelijk letsel blijkt, of, indien tegen de vordering geen verweer wordt gevoerd, deze in beginsel in het strafgeding kan worden behandeld.
Met betrekking tot de confrontatie-eis blijkt dat de strafrechter hier soms soepel mee omgaat. Ten aanzien van de kring van gerechtigden lijkt de strafrechter echter weer een strikte opvatting te hanteren, waarbij een familieband of andere affectieve relatie als voorwaarde wordt gesteld. Ook in zaken waarbij het slachtoffer niet is overleden, maar ernstig verwond raakte, werd door de strafrechter een paar keer een vergoeding voor shockschade aan een naaste toegekend. Eenmaal heeft de strafrechter ook shockschade toegekend aan een moeder die ontucht door de dader met haar kind waarnam.
De auteur concludeert dat de strafrechter soms zeer terughoudend is bij de beoordeling van een shockschadevordering, maar dat hij anderzijds de grenzen hiervan blijft aftasten.
 

Bron: 
Letsel en Schade 2017, afl. 3, p. 5-14