Denktank overlijdensschade 2.0

In 2009 kwam een aantal professionals uit de letselschadebranche bij elkaar om na te denken over een nieuwe manier om de schade te berekenen bij overlijden. De oude methode was ongelooflijk ingewikkeld en ondoorzichtig. Eind 2014 kwam de Denktank met een nieuwe methode die transparant was, meeging in de maatschappelijke ontwikkelingen en door de nabestaanden eenvoudig kon worden begrepen. Deze methode werd vastgelegd in de Notitie Denktank Overlijdensschade en sinds 2015 worden overlijdensschades via deze methode afgewikkeld.
Al bij de introductie van de nieuwe methode was het de bedoeling om deze te blijven ontwikkelen en ook toepasbaar te maken op situaties waarvoor voorheen geen oplossing bestond. Uit een evaluatie van de Denktank blijkt dat de ervaringen en berichten uit de markt positief zijn. Er wordt vrijwel niet meer gerekend volgens de oude methode. Maar ook blijkt dat er behoefte is aan verdere optimalisatie en ontwikkeling. En daarom gaat de Denktank door, zij het in een wat kleinere samenstelling: de Denktank Overlijdensschade 2.0.
De nieuwe methode is met name nog niet toepasbaar voor situaties waarin niet één van de ouders, maar beide ouders overlijden. Daarnaast is de methode niet geschikt voor de berekening van schade na het overlijden van de ouder in een eenoudergezin. Er wordt nu geprobeerd om ook voor die situaties oplossingen te bedenken die steeds toepasbaar zijn binnen de al ontwikkelde methodiek. Ter voorkoming van misverstanden: ook de oude methode kende geen oplossing voor deze situaties.
Om het geheugen op te frissen wordt eerst de huidige methodiek geschetst. Kort samengevat: 1. Het netto huishoudinkomen zonder overlijden wordt verminderd met het door het Nibud berekende percentage aan uitgaven die verminderen dan wel wegvallen door het overlijden van een volwassene binnen het huishouden. 2. Het netto huishoudinkomen met overlijden wordt verhoogd met andere weggevallen uitgaven en wordt verminderd met bijgekomen uitgaven. 3. Het verschil tussen de uitkomst van 1 en 2 vormt de jaarschade.
Het probleem is nu dat de huidige WNU-tabel (Weggevallen Normatieve Uitgaven) alleen van toepassing is op een tweeoudergezin waar één ouder komt te overlijden.
Om tot een berekening van de schade te komen dient eerst de behoeftebepaling plaats te vinden, waarbij vervolgens kan worden gekeken naar de meer specifieke schadebepalende omstandigheden van het geval. Maar juist het bepalen van die behoefte is niet goed mogelijk als beide ouders overlijden in een tweeoudergezin of als de ouder in een eenoudergezin overlijdt. Extra complex wordt het als sprake is van co-ouderschap.
De vragen die voorliggen, zijn dus: hoe bepaal je het WNU-percentage, en dus uiteindelijk de behoefte 1. als beide ouders overlijden; 2. als de enige nog levende ouder overlijdt; 3. als sprake is van co-ouderschap, waarbij een van de co-ouders overlijdt? Deze situaties passen als gezegd nog niet in het huidige model. Onderzocht wordt nu of, en zo ja hoe, dit in het rekenmodel valt in te passen, zodat nog meer wordt meegegaan met en recht wordt gedaan aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Want in steeds meer gezinnen is sprake van maar één verzorgende ouder of co-ouderschap. Het Nibud is gevraagd of, met de daar bekende cijfers, ook voor de hierboven genoemde gezinnen een oplossing kan worden gevonden.
Een ander probleem is dat de Denktank nog steeds geen dwingende standpunten inneemt als het gaat om verrekening of verdeling. Zonder richtinggevende jurisprudentie op dit punt van de Hoge Raad en bij het ontbreken van breedgedragen consensus is het niet voor de hand liggend dat de Denktank in die discussies dwingend stelling neemt. Dit hoeft geen groot probleem te zijn. Zo kan bijvoorbeeld bij de verdeling in de rekenmethodiek worden gekozen voor een gezinsbenadering of een meer persoonlijke benadering. De rekenmethodiek kan in die gevallen aan een oplossing bijdragen, zonder dat de Denktank deze dwingend voor hoeft te schrijven.
Dan ligt er nog een vraag van geheel andere orde. Op dit moment wordt geen jaarlijkse sterftekanscorrectie toegepast in de rekenmethodiek, maar wordt er gerekend tot de statistische eindleeftijd van de eerststervende. In de oude methode werd jaarlijks met twee sterftekansen gerekend, namelijk die van de overledene en de achtergeblevene. Voor de kinderen werd dit niet gedaan. De vraag is hier: leidt het niet meenemen van de sterftekans van een van de partners tot relevante verschillen in verhouding tot het wél meenemen van de sterftekans van beide partners? Als de verschillen significant zijn, dan moet worden nagedacht over hoe dit aangepast zou kunnen worden. Ook dit wordt door de Denktank 2.0 onderzocht.
De Denktank verwacht later dit jaar met de resultaten van de aanvullende onderzoeken naar buiten te kunnen komen.

Bron: 
TvP 2018, afl. 4, p. 148-150