De scheidslijn tussen hoofd- en schadestaatprocedure in 7:611-zaken

Mr. P.E. Bloemendal
In een arrest van 19 oktober 2018 heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de scheidslijn tussen de hoofdprocedure en de schadestaatprocedure. De zaak draait materieel om de aansprakelijkheid van een werkgever voor de schade die een van zijn werknemers lijdt als gevolg van een ernstig verkeersongeval.
Het arrest is een vervolg op een uitspraak van de Hoge Raad uit 2008, Autoster/Hendriks. Die cassatie zag op de hoofdprocedure en had uitsluitend betrekking op de vraag of Hendriks zijn werkgever Autoster met succes kon aanspreken. Het arrest behoort tot een reeks uitspraken waarin de Hoge Raad een op art. 7:611 BW gebaseerde verzekeringsplicht voor werkgevers heeft geïntroduceerd.
De cassatie die leidde tot het arrest Autoster/Hendriks II, dat de aanleiding is voor dit artikel, is onderdeel van de schadestaatprocedure in dezelfde zaak en behelst de vervolgvraag in hoeverre Autoster de door Hendriks geleden schade moet vergoeden. Hoewel het oordeel van de Hoge Raad op zichzelf niet verbaast, geeft het bijzondere procedureverloop aanleiding tot enkele opmerkingen over de verdeling van het partijdebat over de hoofd- en schadestaatprocedure, in het bijzonder in zaken over de 7:611-verzekeringsplicht van werkgevers.
In het artikel gaat de auteur in op de achtergrond van het geschil tussen Autoster en Hendriks, de jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 7:611 BW en de behoorlijke verzekering, de eerste cassatie in de hoofdprocedure, de jurisprudentie van de Hoge Raad over de verhouding tussen hoofd- en schadestaatprocedure en de tweede cassatie tussen Autoster en Hendriks in de schadestaatprocedure.
De auteur concludeert dat de wijze les uit Autoster/Hendriks II niet zozeer volgt uit het arrest van de Hoge Raad, maar vooral uit het bijzondere procesverloop daarvoor. Zijns inziens zou de rechter in de hoofdprocedure zich in zaken over de schending van een verzekeringsplicht niet moeten beperken tot het louter vaststellen van aansprakelijkheid, maar steeds ook een deel van de causaliteit moeten beoordelen. Daardoor wordt niet alleen het aantal schadestaatprocedures beperkt, maar wordt bovendien, indien wel tot schadestaatverwijzing wordt overgegaan, de kans op procesrechtelijke complicaties in de schadestaatprocedure verkleind.

Bron: 
MvV 2019, afl. 3, p. 86-94