Civielrechtelijke aspecten van de schadevergoedingsmaatregel

Mr. I.C. Engels en mr. G.C. Nieuwland
Bij wet van 23 december 1992 is in art. 36f Wetboek van Strafrecht een bijzondere figuur geïntroduceerd in het strafrecht: de schadevergoedingsmaatregel. Bijzonder, omdat de oplegging ervan in belangrijke mate wordt bepaald door civielrechtelijke maatstaven. Oplegging van de maatregel resulteert vervolgens evenwel in een strafrechtelijke schuld aan de Staat. De ter voldoening van de maatregel betaalde bedragen dient de Staat vervolgens door te geleiden naar het slachtoffer, dat geen schuldeiser maar dus wél begunstigde is van de maatregel.
Door deze vermenging van strafrecht en civiel recht ontstaat een soort driehoeksverhouding tussen de dader, het slachtoffer en de Staat. De dader ziet zich geconfronteerd met twee schuldeisers: één naar civiel recht (het slachtoffer) en één naar strafrecht (de Staat), terwijl de afdrachtplicht van de Staat een rechtsrelatie tussen hem en het slachtoffer creëert. Deze situatie geeft aanleiding tot diverse vragen, bijvoorbeeld omtrent de verhouding tussen de vordering van de Staat en die van het slachtoffer, de positie van de dader en de kwalificatie van de vordering van het slachtoffer op de Staat. Circa 25 jaar na de introductie van de schadevergoedingsmaatregel lijkt het aardig om deze vragen (opnieuw) onder de loep te nemen.
Alvorens daartoe over te gaan, volgt eerst een korte bespreking van de achtergrond van de schadevergoedingsmaatregel en het relevante wettelijk kader.
De inningsbevoegdheid voor de schadevergoedingsmaatregel ligt in beginsel bij de Staat, terwijl die voor de civiele vordering van het slachtoffer bij het slachtoffer zelf ligt. Tenuitvoerlegging door de Staat van de schadevergoedingsmaatregel staat niet in de weg aan tenuitvoerlegging door het slachtoffer van zijn in de strafzaak toegewezen vordering benadeelde partij of zijn in civilibus toegewezen vordering. Het is dus mogelijk dat de dader zich geconfronteerd ziet met twee tegelijkertijd incasserende partijen. Dit kan tot complicaties leiden indien de Staat en het slachtoffer tegelijkertijd (executoriaal) beslag leggen of andere executiemiddelen inzetten. In de praktijk zullen de problemen zich meestal wel oplossen door overleg tussen de Staat en het slachtoffer, maar in een situatie waarin ook een derde executoriaal beslag heeft gelegd ten laste van de dader, is echter niet zonder meer duidelijk hoe de verdeling moet plaatsvinden. Moet de Staat zich dan bijvoorbeeld terugtrekken als beslaglegger? Voor de beantwoording van deze vraag zal onder meer relevant zijn wat de verwachte opbrengst is. Is deze alleen voldoende voor voldoening van de schade van het slachtoffer en niet ook voor voldoening van eventuele geldboetes, dan ligt terugtrekking door de Staat eerder in de rede.
Art. 36f Sr geeft in lid 4 en 6 voorschriften over de wijze van toerekening van ontvangen betalingen, vergelijkbaar met de voorschriften van art. 6:43 en 6:44 BW. Strafrechtelijke bepalingen hebben een dwingendrechtelijk karakter. De voorschriften van art. 36 lid 4 en 6 Sr maken dat betalingen door de dader aan de Staat in de eerste plaats ten goede komen aan het slachtoffer. Daarmee creëren zij een feitelijke voorrangspositie van het slachtoffer ten opzichte van de Staat.
Indien de civiele aansprakelijkheid die op grond van art. 36f lid 2 Sr vereist is voor oplegging van een schadevergoedingsmaatregel een hoofdelijke aansprakelijkheid betreft, kan de schadevergoedingsmaatregel voor het volledige vastgestelde schadebedrag worden opgelegd. De vervangende hechtenis moet worden bepaald aan de hand van dit schadebedrag en kan niet worden beperkt tot het aandeel van de dader in dat schadebedrag. De hoofdelijkheid kan zich ook uitstrekken tot medeplichtigen. Een consequentie van een hoofdelijke verplichting voor mededaders kan, door de koppeling tussen de hoogte van de schadevergoedingsmaatregel en de vervangende hechtenis, zijn dat een dader vervangende hechtenis moet ondergaan voor dat deel van de schade waarvoor hij intern niet aansprakelijk is. Door een van de hoofdelijk aansprakelijke daders ondergane vervangende hechtenis strekt niet in mindering op de (nog) door de andere dader te ondergane vervangende hechtenis.
Gezien de hiervoor geschetste gesignaleerde driehoeksverhouding tussen slachtoffer, dader en de Staat rijst de vraag of en in hoeverre die aanspraak vatbaar is voor overdracht, verpanding en beslag. De wetgever gaat uit van een mogelijkheid daartoe. Duidelijk is dat als aan de Staat is betaald, een bestaande (onvoorwaardelijke) vordering van het slachtoffer op de Staat bestaat, die het slachtoffer kan cederen en verpanden. Schuldeisers van het slachtoffer kunnen daarop onder de Staat beslag leggen. De vraag is echter of cessie, verpanding en beslaglegging ook mogelijk zijn voorafgaand aan de betaling van de dader aan de Staat. Er is dan nog geen sprake van een bestaande vordering, ook niet in voorwaardelijke vorm. Op het moment van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel staat de verschuldigdheid van de schuld van de Staat aan het slachtoffer nog niet vast. De vordering van het slachtoffer op de Staat is, zolang de dader niet heeft betaald, dus een toekomstige vordering. Stille cessie en verpanding van de aanspraak van het slachtoffer jegens de Staat is, zolang de dader nog geen betaling heeft verricht, niet mogelijk.

Bron: 
MvV 2018, afl. 5, p. 150-154