Angst als juridisch relevante schade: de angstschadevordering naar Frans recht

Mr. A.M. Overheul
In deze bijdrage staat de auteur stil bij de angstschadevordering in het Franse recht. Daarmee vormt het een vervolg op een eerder artikel van de auteur in dit blad: ‘Angst als juridisch relevante schade’.
Angstschade is een ‘hot topic’ in Frankrijk en heeft zich al ver ontwikkeld in de Franse rechtspraak. Dit maakt het waardevol om naar de voorwaarden te kijken die de Franse rechter aan de angstschadevordering stelt. De ervaringen uit de Franse rechtspraktijk kunnen dan ook ter inspiratie dienen voor het Nederlandse recht. Het Franse recht is mede interessant vanwege het per 1 oktober ingevoerde nieuwe verbintenissenrecht. Daarnaast neemt de Franse overheid een belangrijke rol in met de introductie van verschillende schadefondsen om slachtoffers van bepaalde risico’s een vergoeding te kunnen bieden. In het verlengde hiervan hanteert het Franse schadevergoedings- en aansprakelijkheidsrecht slachtoffervriendelijke regels, hetgeen gebaseerd zou zijn op een zogenaamde 'vergoedingsideologie'.
Angst wordt in de jurisprudentie in de regel erkend als schadepost. Door het Cour de Cassation wordt angstschade gedefinieerd als ‘une situation d’inquiétude permanente face au risque d’une déclaration à tout moment d’une maladie’. Het gaat om een situatie van bezorgdheid, waarin men continu geconfronteerd wordt met het risico dat zich op ieder moment een ziekte kan manifesteren. Dit rechtvaardigt volgens het Cour de Cassation een afzonderlijke vergoeding voor angstschade.
In niet-asbest gerelateerde zaken moet de angst zien op het bestaan van een bewezen wetenschappelijk risico van ernstige schade waaraan de benadeelde is blootgesteld, voordat hij voor vergoeding in aanmerking kan komen. Uit de jurisprudentie volgt dat het moet gaan om een bewezen risico voor ernstige schade. De aard van de normschending lijkt hierbij een rol te spelen. Verder moet de angst een voldoende ernstige psychische stoornis hebben veroorzaakt. De psychische stoornis moet van een bepaalde mate van zekerheid zijn en een direct gevolg zijn van de schadeveroorzakende gebeurtenis. Onduidelijk is wat hieronder precies moet worden verstaan, maar in ieder geval lijkt de psychische stoornis niet onderbouwd te hoeven worden met medische rapporten. Bij de vaststelling van de omvang van de angstschadevergoeding moeten alle bijkomende problemen die een benadeelde ondervindt vanwege de langdurige aanwezigheid van angst, worden meegenomen. Benadeelden hoeven zich verder niet te onderwerpen aan reguliere medische controles en onderzoeken om voor een vergoeding in aanmerking te komen. Slachtoffers van asbest, waarvan hun werkgevers op de ACAATA-lijst staan, worden verdergaand tegemoetgekomen. Uit de lijst wordt een onweerlegbaar vermoeden van blootstelling aan asbest afgeleid en aan de blootstelling van asbest een vermoeden van angstschade. Nader bewijs hoeft door de benadeelden niet te worden overlegd.
Duidelijk is dat de angstschadevordering in het Franse recht in een vergevorderd stadium van ontwikkeling is. Op een aantal aspecten, zoals het bewijs voor de angst en het risico, lijkt het Franse recht soepel om te gaan met de angstschadevordering. Dit lijkt te passen in de slachtoffervriendelijke benadering van het Franse aansprakelijkheidsrecht. In het bijzonder met betrekking tot asbestslachtoffers gaat de Franse rechtspraktijk zeer ver. De auteur is van mening dat, hoe ernstig de situatie van de benadeelde ook is, de toepassing van de rechtsregels er uiteindelijk voor zou moeten zorgen dat een angstschadevordering wordt toe- of afgewezen. Het is dan ook de vraag of wij iets van het Franse recht zouden willen overnemen, en zo ja, wat.
Voor een Nederlandse definitie kan worden aangesloten bij het Franse recht. Een angstschadevordering kan worden gedefinieerd als een schadevergoeding voor hevige angst voor een levensbedreigende ziekte of gebeurtenis, veroorzaakt door het onrechtmatige gedrag of nalaten van de schadeveroorzaker. De auteur kiest voor ‘hevige angst’ en niet voor ‘geestelijk letsel’. Niet uitgesloten is immers dat een hevige angst, mede gezien de ernst van de normschending, recht geeft op een schadevergoeding, ook al is er geen sprake van daadwerkelijk geestelijk letsel. Ook wenst zij niet aan te sluiten bij het vereiste van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Het grootste bezwaar tegen dit criterium is dat het aansluit bij bepaalde maatstaven die een rechtzoekende geen houvast kunnen bieden; het levert onzekerheid op.
Al met al denkt de auteur dat een ‘hevige angst’ als aantasting in de persoon kan kwalificeren. Zoals het Franse recht vereist, moet hiervoor de angst wel redelijk zijn, zodat een ‘hek van de dam’ wordt voorkomen. In de praktijk kan de rechter van geval tot geval bekijken of de ‘hevige angst’ hem reëel voorkomt, of dat nadere onderbouwing middels medische documenten noodzakelijk is. De aard van de normschending zou hier wederom een rol kunnen spelen. Het gegeven dat angst naar Nederlands recht ook kan worden gekwalificeerd als een inbreuk op een persoonlijkheidsrecht, om specifiek te zijn de persoonlijke levenssfeer, is toe te juichen. De ernst van de inbreuk op het persoonlijkheidsrecht rechtvaardigt dat in een dergelijk geval ‘geestelijk letsel’ niet is vereist en een nadere onderbouwing van potentieel geestelijk letsel achterwege kan blijven. Deze inbreuk behelst dat de angst wel van enige ernst moet zijn. Verder lijkt van belang dat de gevolgen van de schending van het persoonlijkheidsrecht de eiser rechtstreeks treffen. Op deze wijze kunnen benadeelden van een (zeer) ernstige normschending, zonder dat zij geestelijk letsel ondervinden, tegemoet worden gekomen.
Verder vindt de auteur het van belang dat de angst ziet op een bewezen wetenschappelijk risico, net zoals in het Franse recht. Het gegeven dat er sprake is van een bewezen wetenschappelijk risico van ernstige schade waaraan een benadeelde is blootgesteld, bakent de angstschadevordering voldoende af. Voor risico’s die wetenschappelijk niet bewezen zijn, hoeft angstschade in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking te komen. Niet iedere angstige gedachte voor een potentieel risico moet worden vergoed.
Naar Nederlands recht doet een eventuele predispositie van de benadeelde geen afbreuk aan zijn recht op angstschadevergoeding, hetgeen in overeenstemming is met het Franse recht. Wel is het van belang dat de predispositie niet zo ver wordt doorgevoerd dat men schade zou kunnen vorderen voor een onredelijke angst, bijvoorbeeld voor een ziekte die onmogelijk kan intreden, omdat blootstelling hieraan nooit heeft plaatsgevonden.
Met betrekking tot de schadebeperkingsplicht wordt naar Nederlands recht van de benadeelde in beginsel een proactieve houding verwacht om met zijn angst om te gaan. Op deze manier wordt de schade binnen de grenzen van redelijkheid zoveel mogelijk beperkt. Het lijkt de auteur te vergaand om, zoals in het Franse recht, het risico dat de angst na verloop van tijd wellicht zou kunnen afnemen of zelfs verdwijnen, bij de schadeveroorzakende partij te leggen doordat de benadeelde zich in geen enkel geval hoeft te onderwerpen aan reguliere medische controles en onderzoeken. Uiteindelijk moet er zo veel mogelijk naar worden gestreefd dat de daadwerkelijk geleden schade wordt vergoed.

Bron: 
AV&S 2018, afl. 6, p. 160-168