ontzegging van rijbevoegdheid

VR 2026/90 Dodelijk verkeersongeval, vuilniswagen, inhalende fietser, aanmerkelijke schuld.

Jurisprudentie
Een bestuurster van een vuilniswagen trekt, nadat zij heeft stilgestaan om een vuilcontainer te legen, weer op zonder een fietser, die zich links naast dan wel vóór de vrachtwagen bevindt op te merken en voor te laten gaan. Zij botst met de linker voorzijde van de vrachtwagen tegen de achterzijde van de fiets, waarna de fietser ten val komt en wordt overreden. De rechtbank stelt vast dat het optrekken na het legen van de container een bijzondere manoeuvre is, zodat verdachte op grond van artikel 54 RVV 1990 het overige verkeer moet laten voorgaan. Uit forensisch verkeersonderzoek volgt dat de

VR 2023/73 Art. 6 WVW 1994. Vrijspraak.

Jurisprudentie

Verdachte wordt vrijgesproken van art. 6 WVW 1994. Volgens de rechtbank vereist de culpa uit art. 6 een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. In deze zaak meent de rechtbank dat er sprake is van een op zichzelf staande verkeersfout. De verdachte is namelijk een moment onoplettend geweest door in slaap te vallen. Vervolgens is hij tegen de auto voor hem gebotst. Deze fout is niet ernstig genoeg om hem het verwijt uit art. 6 toe te rekenen. Dit zou anders zijn geweest als het in slaap vallen voorzienbaar zou zijn geweest. Wel meent de rechtbank dat de verdachte art. 5 WVW 1994

VR 2020/09 Rijden tijdens ontzegging. Kennisgeving. Looptijd ontzegging.

Jurisprudentie
Anders dan het hof heeft geoordeeld, kan uit de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hiervoor weergegeven bewijsmiddel 2 bij onherroepelijk vonnis van de Politierechter van 3 oktober 2012 is veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden en de omstandigheid dat blijkens de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen 3 en 4 een kennisgeving ontzegging rijbevoegdheid op 4 december 2012 aan hem is uitgereikt, niet zonder meer worden afgeleid dat het tenlastegelegde feit is begaan gedurende de periode dat hem de bevoegdheid

VR 2017/129 Rijbewijs. Ongeldigverklaring. Wetenschap.

Jurisprudentie
Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief aan deze is verzonden en niet retour is gekomen bij het CBR, kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Die gevolgtrekking kan daaraan ook niet worden verbonden in samenhang met hetgeen het hof blijkens de weergegeven bewijsvoering voor het overige in aanmerking heeft genomen.

VR 2017/114 Ontzegging van de rijbevoegdheid. Onbekend gebleven bestuurder. Eigenaar of houder.

Jurisprudentie
De bewezenverklaarde overtreding van art. 62 RVV 1990 is ingevolge art. 92 RVV 1990 een strafbaar feit ten aanzien waarvan aan de bestuurder van een motorvoertuig de bevoegdheid om motorvoertuigen te besturen kan worden ontzegd. Op grond van art. 181 WVW 1994 kan die bijkomende straf aan de eigenaar of houder van dat motorvoertuig worden opgelegd, indien deze wordt veroordeeld ter zake van een dergelijke overtreding, terwijl het feit is begaan door een bij de ontdekking van het feit onbekend gebleven bestuurder (vgl. HR 15 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9414, NJ 2008/252). De opvatting dat een

VR 2017/03 Ne bis in idem. Ongeldigverklaring rijbewijs. Ontzeggingrijbevoegdheid.

Jurisprudentie
Rijden onder invloed. CBR verklaart rijbewijs ongeldig, hof legt verdachte ontzegging van de rijbevoegdheid op. De opvatting dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14, zevende lid, IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte tenlastegelegde feit diens rijbewijs op de voet van art. 134, tweede lid, WVW 1994 ongeldig is verklaard, is onjuist. Dat berust op het volgende.De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel

VR 2016/29 De Wet Mulder mag geen kathedraal van de twintigste eeuw worden

Artikel
VR 2016/29 De Wet Mulder mag geen kathedraal van de twintigste eeuw worden Prof. mr. H.J.B. Sackers * * Hoogleraar Bestuurlijk Sanctierecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Vooraf Toen op zekere dag een raadsman tegelijk met de vertegenwoordigster van het OM de zittingszaal betrad, zag hij direct dat de dossiers van het OM reeds in de zaal lagen. Voor hem was slechts één conclusie mogelijk: zij was dus eerder in de zittingszaal geweest en had met de rechter over de zaak van zijn cliënt kunnen spreken. Nota bene terwijl hij kort tevoren toegang tot de zittingszaal had gevraagd, om te