doorrijden na ongeval

VR 2026/06 Ongeval na wedstrijd met scooters op de weg. Roekeloosheid.

Jurisprudentie

Verdachte maakte deel uit van een groep bromfietsers en motorscooters die met elkaar aan het sprinten waren om te kijken wie er het snelst aan het eind van de weg was. Hierbij haalde verdachte gevaarlijk in op onoverzichtelijke plaatsen en hield onvoldoende rechts. Er volgde een frontale aanrijding met een bestuurder die uit de tegenovergestelde richting kwam, waarna verdachte daarna de plaats van het ongeval verliet. Bovendien reed verdachte onverzekerd. De verdediging betwist het door de rechtbank bewezenverklaarde roekeloosheid. Het hof stelt als eerste vast dat hier sprake is van een

VR 2025/76 Doodslag in het verkeer. Voorwaardelijk opzet op de dood na schenden specifieke zorgplicht van artikel 7 WVW.

Jurisprudentie

Verdachte rijdt binnen de bebouwde kom met bijna het dubbele van de toegestane snelheid over een besneeuwd wegdek. Vlak voor een kruispunt buigt de weg af naar rechts. Verdachte mist deze bocht en rijdt rechtdoor. Op de kruisende weg komt verdachte met ongeveer 70 km/u in aanrijding met een andere auto, die daardoor in een sloot terechtkomt en met de linkerzijde in het water belandt. Na het ongeval loopt verdachte weg en bekommert zich niet om de andere bestuurder, belt de hulpdiensten niet en vertelt aan niemand dat hij een aanrijding heeft gehad met een ander voertuig. Omstanders en

VR 2025/58 Dood door schuld na botsing met hoge snelheid. Geen verplichting tot strafverlaging na mediationovereenkomst.

Jurisprudentie

De verdachte is veroordeeld voor het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval en het verlaten van de plaats van het ongeval. In cassatie klaagt de verdachte dat het hof onvoldoende rekening hield met het mediationtraject dat hij met de nabestaanden doorliep. Volgens artikel 51h lid 2 Sv moet een rechter bij de oplegging van een straf of maatregel acht slaan op de bemiddeling tussen de verdachte en het slachtoffer. Hoe dit gebeurt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Als de overeenkomst een schaderegeling omvat, houdt de rechter hiermee rekening bij de beslissing over eventuele

VR 2025/25 Materieel verkeersstrafrecht:

Artikel
VR2025-3_illu
In mijn proefschrift, dat ik in september 2024 heb verdedigd, heb ik onderzoek gedaan naar de verhouding tussen het commune en bijzondere materiële strafrecht. Die verhouding heb ik onderzocht vanuit het perspectief van het codificatiebeginsel (dat neergelegd is in artikel 107 Grondwet), met een focus op het legaliteitsbeginsel en het schuldbeginsel. In dit onderzoek kwam naar voren dat het verkeersstrafrecht – als onderdeel van het bijzonder strafrecht – een terrein is dat weliswaar aansluit op het commune strafrecht, maar dat tegelijk een voedingsbodem is voor nieuwe materieelrechtelijke figuren en ontwikkelingen op het terrein van de schuldvormen. De ontstane nouveautés werken bovendien in meer of mindere mate door in het commune strafrecht. De in artikel 107 Grondwet en artikel 91 Sr tot uitdrukking gebrachte verhouding tussen het Wetboek van Strafrecht en de bijzondere strafwetten, waarbij het bijzonder strafrecht een volgzame (artikel 91 Sr) uitzondering (artikel 107 Grondwet) is op het algemene kader van materieel strafrecht in het Wetboek van Strafrecht, verdwijnt hierdoor naar de achtergrond. Dit komt de met het codificatiebeginsel beoogde samenhang en eenvormigheid binnen het gehele materiële strafrecht niet ten goede. In deze bijdrage licht ik enkele onderdelen van mijn promotieonderzoek uit, waarbij ik ook jurisprudentie betrek die nadien gewezen is.

VR 2025/13 Artikel 6 WVW 1994. Aanrijding personenauto met bromfietser en fietser. Roekeloos rijgedrag. Verlaten plaats ongeval.

Jurisprudentie

De verdachte wordt verweten op een drukke zaterdagavond als bestuurder van een personenauto twee keer de toegestane snelheid te hebben gereden. Op enig moment is de verdachte in een slip geraakt en in de tegengestelde rijrichting terechtgekomen. Hij heeft daarbij een brommer aangereden en een fietser is ten val gekomen. De bestuurder van de brommer is om het leven gekomen en de fietser is gewond geraakt. De verdachte is na het ongeval doorgereden. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van doodslag, nu de gedragingen van de verdachte niet aangemerkt kunnen worden als naar hun uiterlijke

VR 2024/68 Onvoorzichtig. Dood door schuld. Doodslag.

Jurisprudentie

Verdachte reed met een snelheid van bijna 100 kilometer per uur richting een kruising met een voorrangsweg. De geldende maximumsnelheid bedroeg 50 kilometer per uur. Het was donker en op het wegdek lag natte sneeuw. De straat waar verdachte op reed buigt vlak voor het kruispunt, alwaar voorrang moet worden verleend, af naar rechts. Verdachte heeft de bocht niet gehaald en reed in een rechte, diagonale streep de straat over, waar hij met een snelheid van zo'n 70 kilometer per uur tegen de bestuurderszijde van de auto van het slachtoffer botste. Het slachtoffer is met haar auto in een

VR 2023/144 Eenzijdig ongeval. Niet veroorzaakt door onbekende bestuurder. Waarborgfonds niet aansprakelijk.

Jurisprudentie

Op 6 februari 2017 heeft X een eenzijdig ongeval met een quad gehad. X meent dat het ongeval is veroorzaakt door een onbekende bestuurder, die na het ongeval is doorgereden. X spreekt de Stichting Waarborgfonds Motorverkeer (hierna: WBF) aan voor vergoeding van de schade. WBF wijst het verzoek tot schadevergoeding af. X stapt naar de rechter en zijn vordering wordt bij verstekvonnis toegewezen. WBF stelt verzet in. De rechtbank vernietigt het verstekvonnis en wijst de vorderingen van X af. Hiertoe overweegt zij als volgt. X stelt dat de bestelbus voor hem plotseling hard remde, waardoor hij

VR 2022/103 Doorrijden na ongeval. Wie kan als "een ander" worden aangemerkt?

Jurisprudentie

De verdachte heeft, zonder medeweten en toestemming van de eigenaar en de gebruiker van het voertuig, een auto bestuurd en hiermee een verkeersongeval veroorzaakt, waarbij de auto in een vijver is terechtgekomen en daardoor schade heeft veroorzaakt aan de eigenaar van de auto en de gemeente Elburg. Terwijl de verdachte wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat door het ongeval schade was toegebracht aan de eigenaar van het voertuig en de gemeente Elburg, heeft hij de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit bekend te maken. Schending van art. 7 WVW 1994, omdat onder "een