VR 2019/5 Verkeersongeval; bestaan en omvang klachten; causaal verband; schadebegroting.

Appellante exploiteerde samen met haar echtgenoot een restaurant. In 2005 is haar een ongeval overkomen, in verband waarmee de voor dat ongeval aansprakelijke WAM-verzekeraar in totaal ca. € 100.000,- aan schadevergoeding heeft betaald. In 2010 is appellante opnieuw een verkeersongeval overkomen, waarbij zij als automobilist van achteren is aangereden en zgn. whiplashklachten heeft opgelopen. Bovemij is als WAM-verzekeraar aansprakelijk voor de gevolgen van dit ongeval. Bovemij heeft in totaal € 113.000,- aan voorschotten betaald en vordert in conventie een verklaring voor recht dat zij niets meer aan appellante verschuldigd is. Appellante vordert in reconventie veroordeling van Bovemij tot betaling van ruim € 1.800.000,- aan schadevergoeding. In eerste aanleg heeft de rechtbank de vordering van Bovemij toe- en de vordering van appellante afgewezen. De rechtbank heeft daarbij overwogen:1) dat appellante in oktober 2012 geen lichamelijke klachten en/of beperkingen meer had, terwijl uit de overgelegde rapporten niet objectief volgt dat de door appellante gestelde psychische klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn;2) dat, indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat appellante vanaf de datum van het ongeval tot oktober 2012 volledig arbeidsongeschikt is geweest, zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in die periode meer dan € 113.000,- aan schade heeft geleden. In appèl komt appellante op tegen beide oordelen, waarbij het hof de twee centrale onderwerpen in omgekeerde volgorde behandelt. Ten aanzien van de begroting van de post verlies arbeidsvermogen stelt het hof voorop dat uit de jaarrekeningen van de door appellante en haar echtgenote gedreven onderneming volgt dat de winst uit onderneming ca. € 15.000,- per jaar bedroeg, waarvan de helft aan appellante moet worden toegerekend. De stelling van appellante komt erop neer dat de werkelijke winst veel hoger was en dat het overgrote deel van de omzet en de winst 'buiten de boeken' werd gehouden. Het hof overweegt dat het aan appellante is om die stelling te bewijzen en concludeert dat zij daarin niet is geslaagd. Dat betekent dat het hof evenals de rechtbank uitgaat van een bruto-jaarschade van € 7.500,-. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de klachten stelt het hof vast dat partijen "een fel, soms welhaast ideologisch debat hebben gevoerd over de klachten van appellante". Desondanks beschikt het hof over onvoldoende informatie om te kunnen beslissen over dit geschilpunt. Daarbij is van belang dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van het criterium 'reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven': naar het oordeel van het hof komt het erop aan of het klachtenpatroon 'plausibel' is, hetgeen over het algemeen het geval zal zijn bij een 'consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten'. Het hof beveelt een comparitie van partijen en draagt appellante op om aanvullende medische informatie in het geding te brengen.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren