VR 2019/127 Snelheidsovertreding. Meetplaats. Afstand.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “overschrijding maximumsnelheid binnen bebouwde kom, met 30 km/h”. De gemachtigde voert aan dat een juiste meting niet mogelijk was omdat de meting is verricht op een bochtige weg. Daarnaast kan de nauwkeurigheid van een lasermeting niet worden gegarandeerd indien de meting plaatsvindt onder een viaduct. De gemachtigde voert verder aan dat artikel 2.2 van de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers (hierna: de Aanwijzing) is geschonden, nu de verbalisant en het meetinstrument zich buiten de bebouwde kom bevonden.Met betrekking tot de stelling van de gemachtigde dat de minimaal in acht te nemen afstand tussen de meetplaats en het bord met daarop de gewijzigde maximumsnelheid niet is nageleefd, overweegt het hof het volgende. In artikel 2.2. van de ten tijde van de onderhavige gedraging geldende Aanwijzing is bepaald - voor zover hier van belang - dat de snelheid van voertuigen moet zijn aangepast direct op de plaats waar een lagere snelheid gaat gelden. Om discussies of beroepschrift/brieven te voorkomen over een te korte afstand tussen de plaats waarop de lagere maximumsnelheid ingaat en de snelheidsmeting, wordt een minimumafstand in acht genomen tussen de plaats van inwerkingtreding van de lagere maximumsnelheid tot de meetlocatie. Bij een snelheid van 50 kilometer per uur dient een minimale afstand van 140 meter in acht te worden genomen tussen gebod en meetplaats. Dezelfde afstanden moeten worden gebruikt tussen de meetplaats en de plaats waarop het gebod dat door middel van de snelheidsmeter wordt gehandhaafd eindigt.Om te kunnen beoordelen of de juiste afstand tussen meetplaats en gebod in acht is genomen, dient het hof allereerst vast te stellen wat in het onderhavige geval de meetplaats is. Anders dan bij andere snelheidsmetingen, is er in het onderhavige geval, waarin sprake is van een snelheidsmeting met behulp van laserapparatuur, een grote afstand tussen de verbalisant met het meetinstrument en het voertuig waarvan de snelheid wordt gemeten. De Aanwijzing geeft geen definitie van het begrip meetplaats of meetlocatie. Het hof is van oordeel dat in het geval van meting met behulp van laserapparatuur, gelet op de werking van dergelijke apparatuur, met de meetplaats wordt bedoeld de plaats waar het voertuig zich bevindt op het moment van de meting en niet de plaats waar de verbalisant zich met het meetinstrument bevindt, zoals de gemachtigde betoogt. Nu uit het aanvullend proces-verbaal blijkt dat de afstand tussen de meetplaats, in dit geval dus de plaats waar het voertuig zich bevond, en het bord H2 400 meter bedroeg, kan niet worden geoordeeld dat de minimaal in acht te nemen afstand tussen de locatie van een snelheidscontrole en het bord met daarop de gewijzigde maximumsnelheid niet is nageleefd. Het hof verwerpt daarom het verweer van de gemachtigde.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren