VR 2018/143 Gehandicaptenparkeerkaart. Matiging sanctie.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “parkeren op invalideparkeerplaats, anders dan met motorvoertuig op meer dan twee wielen met geldige invalidenparkeerkaart”.De betrokkene verklaart dat hij op de avond in kwestie met zijn toenmalige vriendin op bezoek was bij kennissen. De ex-vriendin van de betrokkene is gehandicapt en beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart waarmee zij als passagier kon meerijden. De betrokkene had deze kaart achter zijn voorruit gelegd. Bij terugkomst bij het voertuig constateerde hij dat hij desondanks was bekeurd. Navraag bij de gemeente leerde dat de kaart was verlopen. De betrokkene en zijn vriendin waren zich daar niet van bewust.Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent dat hij zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats heeft geparkeerd, zonder dat achter de voorruit een geldige gehandicaptenparkeerkaart was geplaatst, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.Het verweer van de betrokkene dat niet aan hem, maar aan zijn toenmalige vriendin een sanctie behoort te worden opgelegd, slaagt niet. Artikel 5 van de WAHV bepaalt dat de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder, als de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het voertuig ten tijde van de gedraging op naam stond van de betrokkene. De sanctie kon daarom aan hem als kentekenhouder worden opgelegd.Het is vaste jurisprudentie van het hof dat de sanctie wordt gematigd, wanneer achteraf blijkt dat een betrokkene wel over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikt, maar deze kaart zich ten tijde van de gedraging niet duidelijk zichtbaar achter de voorruit bevond (vgl. het arrest van het hof van 22 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:2347). In dit geval staat vast dat de passagier van de betrokkene ten tijde van de gedraging niet over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikte. Zij voldeed echter wel aan de vereisten die aanspraak geven op een gehandicaptenparkeerkaart. Aan haar was immers zowel vóór de gedraging als direct daarna een gehandicaptenparkeerkaart afgegeven. Naar het oordeel van het hof is weliswaar terecht een sanctie opgelegd aan de betrokkene, maar geven de bijzondere omstandigheden waaronder de gedraging in dit geval is verricht aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Daarbij wordt ook betrokken het feit dat de betrokkene, die zijn toenmalige partner destijds nog maar kort kende, er kennelijk en niet onbegrijpelijk op heeft vertrouwd dat de gehandicaptenparkeerkaart waarover zij beschikte aan de eisen voldeed. Het hof zal het sanctiebedrag, met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, halveren.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren