VR 2018/142 Telefonisch horen. Redelijke termijn.

In de onderhavige zaak is er door de betrokkene van afgezien gebruik te maken van de geboden mogelijkheid om telefonisch te worden gehoord, nu hij in persoon wenste te worden gehoord. Gelet op de wetsgeschiedenis van de Awb moet worden vastgesteld dat telefonisch horen in beginsel geen volwaardig alternatief is voor een hoorzitting. Er is niet gebleken dat de officier van justitie met de betrokkene tot overeenstemming was gekomen over telefonisch horen ter vervanging van de wettelijk voorgeschreven hoorzitting. Gelet hierop kan aan de omstandigheid dat de betrokkene niet heeft verzocht om te worden gehoord, niet de betekenis toekomen dat de officier van justitie op de voet van artikel 7:17, aanhef en onder d, Awb ervan heeft kunnen afzien de betrokkene (in persoon) te horen.In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in bezwaar of administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank. De redelijke termijn in hoger beroep bedraagt eveneens ten hoogste twee jaren vanaf het moment dat het rechtsmiddel is ingesteld (vgl. ABRvS, 29 januari 2014; ECLI:NL:RVS:2014:188 en CBb 28 maart 2013; ECLI:NL:CBB:2013:BZ6866).Net als in bestuursrechtelijke procedures inzake bestraffende sancties ligt in WAHV-zaken een sanctie aan de procedure ten grondslag. Het hof past daarom voortaan bij een beroep op schending van de redelijke termijn van berechting - overeenkomstig de bestuursrechtelijke rechtspraak inzake bestraffende sancties - het hiervoor besproken beoordelingskader toe. Tot een materieel andere uitkomst voor de betrokkene zal dit in het algemeen niet leiden. Aangezien het sanctiebedrag van WAHV-sancties (thans) altijd minder dan € 1.000,- bedraagt, kan worden volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren