VR 2018/04 Geen proces-verbaal zitting. Toezending stukken.

De gemachtigde van de betrokkene heeft in hoger beroep met betrekking tot de beslissing van de kantonrechter onder meer aangevoerd dat in strijd met artikel 13, derde lid, van de WAHV geen proces-verbaal van het ter zitting verhandelde is opgemaakt.Uit het derde lid van artikel 13 WAHV, in verband met het tweede lid van evengenoemd artikel en met artikel 12 van die wet, moet worden afgeleid dat van iedere zitting die krachtens de WAHV wordt gehouden, een proces-verbaal behoort te worden opgemaakt, behelzende de zakelijke inhoud van de aldaar afgelegde verklaringen en van hetgeen verder op de zitting is voorgevallen. Zulks is van belang met het oog op de controle op de naleving van de eisen die onder meer door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden aan een procedure als de onderhavige worden gesteld (vgl. HR 30 juni 1998, VR 1999/57). Uit de beslissing van de kantonrechter blijkt dat het beroep ter zitting is behandeld. Uit het e-mailcontact van de gemachtigde van de betrokkene met de griffier van de rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat er geen proces-verbaal van de zitting is en wordt opgemaakt. Er is dus gehandeld in strijd met artikel 13, tweede en derde lid van de WAHV juncto artikel 12 van de WAHV. Het verweer van de gemachtigde treft derhalve doel. De beslissing van de kantonrechter kan niet in stand blijven en zal worden vernietigd. Vervolgens ligt het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ter beoordeling van het hof. De gemachtigde van de betrokkene heeft in het administratief beroepschrift verzocht om toezending van alle op het dossier betrekking hebbende stukken en heeft daartoe gewezen op artikel 7:18, vierde lid, Awb. De officier van justitie heeft het verzoek van de gemachtigde van de betrokkene ten onrechte behandeld als een Wob-verzoek. Daarvoor was, gelet op hetgeen de gemachtigde in zijn administratief beroepschrift heeft aangegeven, geen aanleiding. Het betreft hier, gelet op de verwijzing naar dit wetsartikel en de inhoud van de gevraagde stukken, een verzoek als bedoeld in artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. De officier van justitie had de gemachtigde van de betrokkene de op de zaak betrekking hebbende stukken, inhoudende het zaakoverzicht en de foto's van de gedraging, ter beschikking moeten stellen en hem in de gelegenheid moeten stellen met behulp van deze stukken de gronden van het beroep aan te vullen. De stukken zijn eerst verstrekt nadat op het administratief beroep is beslist. De officier van justitie heeft derhalve niet gehandeld in overeenstemming met artikel 7:18, vierde lid, van de Awb. Het hof zal, met gegrondverklaring van het beroep daartegen, de beslissing van de officier van justitie vernietigen en het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 127,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid binnen bebouwde kom, met 15km/h”. Het verweer dat de verbalisant niet bevoegd zou zijn tot het opleggen van onderhavige sanctie treft geen doel. Het hof ziet geen aanknopingspunten voor honorering van het verweer van de gemachtigde, erop neerkomende dat een ander dan het voertuig van de betrokkene is gemeten. Nu de betrokkene verder geen voor de zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren