VR 2018/03 Kentekenaansprakelijkheid. Zekerheid. Gemachtigde.Draagkrachtverweer.

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene niet binnen de in artikel 11, derde lid, van de WAHV gestelde termijn zekerheid heeft gesteld. De gemachtigde van de betrokkene, ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig, voert in hoger beroep aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd. Voorts stelt de gemachtigde dat het bedrag van de sanctie tijdig is betaald. Artikel 5 van de WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Nu in het onderhavige geval op kenteken is bekeurd en het kenteken in het kentekenregister op naam van betrokkene staat geregistreerd, is de sanctie (terecht) aan hem opgelegd. Dat gemachtigde ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was, doet hieraan niet af.Ingevolge artikel 6, eerste lid, WAHV kan degene tot wie de beschikking is gericht, beroep instellen bij de officier van justitie. Aangezien de inleidende beschikking aan betrokkene is gericht, kan alleen deze persoon beroep instellen en niet de bestuurder van het voertuig. Nu gemachtigde, als bestuurder van het voertuig van de kentekenhouder, beroep heeft ingesteld tegen de inleidende beschikking is hij in de onderhavige procedure terecht als de gemachtigde van de betrokkene aangemerkt.Tegen de beslissing van de officier van justitie kan, gelet op artikel 9, eerste lid, WAHV, beroep worden ingesteld door degene die administratief beroep heeft ingesteld, te weten betrokkene. Aan gemachtigde komt derhalve geen zelfstandig beroepsrecht toe. Gelet op artikel 11, eerste lid, WAHV moet zekerheid worden gesteld door de indiener van het beroepschrift. Indien er - zoals hier - van moet worden uitgegaan dat gemachtigde als gemachtigde namens de betrokkene beroep heeft ingesteld, is voor de vraag of al dan niet is voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling slechts de draagkracht van de betrokkene - als degene die in juridisch opzicht het beroepschrift heeft ingediend - bepalend. Dat gemachtigde de bestuurder van het voertuig was en feitelijk het beroepschrift heeft ingediend, doet daaraan niet af. Door de kantonrechter is in het geheel niet gereageerd op het door de gemachtigde opgeworpen draagkrachtverweer. Hoewel de draagkracht van de gemachtigde niet bepalend is bij de beoordeling of kan worden voldaan aan de verplichting tot zekerheidstelling, mag van de kantonrechter worden verwacht dat hij in een geval als het onderhavige - waarin is gebleken dat de gemachtigde naar aanleiding van de zekerheidsbrieven in de veronderstelling verkeert en op basis van de tekst van de hem toegezonden brief ook kon verkeren dat hij verplicht is om zekerheid te stellen - de gemachtigde hierover informeert en de betrokkene vervolgens een nadere termijn gunt om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de gemachtigde kennelijk na ontvangst van de zekerheidsbrieven telefonisch contact met de CVOM heeft opgenomen en naar aanleiding van dit gesprek een onderbouwd draagkrachtverweer heeft ingediend.Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren