VR 2017/144 Deelname ASP; bevoegdheidsverdeling burgerlijke en bestuursrechter.

Verweerders in cassatie zijn in respectievelijk 2012 en 2014 veroordeeld tot deelname aan het ASP, gekoppeld aan een ongeldigverklaring van hun rijbewijzen. Zij hebben tegen deze besluiten geen bezwaar gemaakt, zodat deze formele rechtskracht hebben. Verweerders zijn nooit gestart met het ASP. Het CBR heeft hen erop gewezen dat zij daarmee pas na 5 jaar weer een geldig rijbewijs kunnen krijgen. Het beleid bij ongeldigverklaring van een rijbewijs is dat een verzoek om een verklaring van geschiktheid pas na 5 jaar weer in behandeling wordt genomen, tenzij eerder is voldaan aan de vereisten van het ASP (waaronder deelname van 2 jaar). Bij arrest van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:434, VR 2015/47) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dat de combinatie van én (gedwongen) deelname aan het ASP én strafrechtelijke vervolging in strijd is met het beginsel van ne bis in idem. Op 4 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:622, VR 2015/45) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de regeling van de ASP onverbindend is, onder meer omdat er onvoldoende ruimte bestaat voor een individuele belangenafweging. Het besluit van de minister naar aanleiding van deze arresten houdt in dat alle ASP-besluiten die nog geen formele rechtskracht hebben, worden teruggedraaid. De overige besluiten blijven in beginsel in stand. Uit de arresten van de HR en de RvS blijkt ook geen algemene verplichting om op besluiten met formele rechtskracht terug te komen. Verweerders vorderen in kort geding teruggave van hun (geldige) rijbewijs zonder dat zij hoeven deel te nemen aan het ASP. Zij stellen dat de formele rechtskracht, gelet op de arresten van HR en RvS, doorbroken moet worden, onder meer omdat de situatie van verweerders nijpend is. De voorzieningenrechter heeft de vordering afgewezen, maar het hof heeft een en ander toegewezen. Volgens het hof bestaat er geen mogelijkheid om zonder deelname aan het ASP opnieuw een appellabel besluit te verkrijgen en zou onverkorte handhaving van de 5-jaarstermijn onrechtmatig zijn. De Hoge Raad stelt voorop dat de bestuursrechter ten aanzien van een bestuursrechtelijk besluit bevoegd is, tenzij de rechtsbescherming in de administratiefrechtelijke rechtsgang tekortschiet. Voorts wordt vooropgesteld dat verweerders kennelijk één van twee dingen willen: het CBR moet ofwel terugkomen op het besluit om het rijbewijs ongeldig te verklaren, ofwel (in afwijking van art. 97 lid 5 van het Reglement Rijbewijzen) een verklaring van geschiktheid afgeven zonder dat 5 jaar verstreken zijn of voldaan is aan de eisen van het ASP. In beide gevallen moet het CBR op een daartoe strekkend verzoek een appellabel besluit nemen. Er is geen aanwijzing dat de administratiefrechtelijke rechtsgang ten aanzien van deze besluiten tekort zou schieten. Verweerders zijn dus niet-ontvankelijk in hun vorderingen. De Hoge Raad doet de zaak zelf af.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren