Wat mag, wat moet, wat werkt? Opinie: excessief gebruik van privacyregels schaadt buitengerechtelijke praktijk

Aernout Santen
Medische aansprakelijkheidszaken zijn inhoudelijk al lastig genoeg, maar de behandeling ervan wordt bijna altijd gecompliceerd door niet-dossierinhoudelijke discussies en formaliteiten die zijn ingegeven door privacyoverwegingen. Door die discussies laat de inhoudelijke behandeling langer op zich wachten, wordt die behandeling bewerkelijker en duurt het hele behandelingstraject langer. En ze komen niet ten goede aan de sfeer. Vooral buiten rechte worden die discussies gevoerd. Zo wordt er de laatste jaren steeds meer gediscussieerd over hoe een medische machtiging eruit moet zien, onder welke voorwaarden een machtiging kan worden verstrekt en over privacy. Met andere woorden: over wie wat mag, wie wat krijgt en wie moet wat doen. En als het dan eindelijk over de inhoud gaat, als er eens een deskundigenbericht voorligt, duiken vergelijkbare vragen op: mag de schadebehandelaar het deskundigenbericht zien en mag zijn medisch adviseur het hem geven?
Het deskundigenrapport hoort ook buiten rechte naar de partijen te gaan. Dan kunnen partijen het lezen, begrijpen, er vragen over stellen en zich, zoals de Hoge Raad het formuleert, ‘de mogelijkheid (...) verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter (...) beoordelen of het raadzaam is de procedure te beginnen of voort te zetten’. Dat kan alleen als ook het oorspronkelijke stuk in te zien is en niet een derivaat ervan.
Privacy is belangrijk, maar niet de maat van alle dingen. De vraag is: zien we alles in de sleutel van privacy en gegevensbescherming en negeren we de verworvenheden van een behoorlijk buitengerechtelijk proces, of accepteren we dat de mogelijkheid wordt verlamd om buiten rechte schade te beoordelen?
Een letselschadeclaim gaat nu eenmaal over bijzondere persoonsgegevens. En dat betekent dat ook juristen daar mee moeten werken. In de meeste gevallen worden machtigingen getekend en kan de buitengerechtelijke beoordeling beginnen. Dan komen partijen vaak overeen expertises te laten verrichten om antwoorden te krijgen en om de procespositie te kunnen inschatten. Binnen rechte is het – en buiten rechte was het – gebruikelijk dat partijen ook kennis konden nemen van dat deskundigenbericht om daarmee hun werk, het beoordelen van de claim, te kunnen uitvoeren. Het belemmeren daarvan leidt tot vertraging, gedoe en tot meer rechtbankprocedures. En de auteur ziet eigenlijk ook het verschil in privacyschending niet tussen de situatie waarin een rapport ín en die waarin het buiten rechte wordt bekeken.
Wat moet? Partijen moeten hun zaak kunnen beoordelen en verdedigen. Daarom moeten zij de procedure als een rechtvaardige en eerlijke ervaren. Wanneer het te moeilijk wordt gemaakt om buiten rechte een eerlijke ‘procesgang’ te krijgen, zal er veel minder buiten rechte worden beoordeeld en veel meer binnen rechte geprocedeerd.
Wat mag? Buiten rechte mag eigenlijk alles, als het maar tussen partijen wordt afgesproken. Zo kunnen zij afspreken dat ook de schadebehandelaar de medische stukken mag zien en bespreken met de zorgverlener en diens medisch adviseurs. En dat het deskundigenrapport ter beschikking van partijen mag komen.
Wat werkt? Wat het beste werkt is dat partijen zich richten op de inhoud en niet op slimmigheden om de ander beentje te lichten of een processueel voordeel te behalen.
Door de excessieve aanwending van privacyregels en een rigide uitleg ervan dreigt de buitengerechtelijke praktijk om zeep te worden geholpen. Wat binnen rechte mag, moet buiten rechte ook mogen. Wat binnen rechte beschermd is, moet dat buiten rechte ook zijn of zou het moeten zijn. Anders leidt wat bedoeld was als bescherming van de consument er alleen maar toe dat hij veel hogere drempels ervaart bij de toegang tot recht. Dan is die toegang alleen nog weggelegd voor de rijken, de dapperen en de roekelozen.

Bron: 
Letsel & Schade 2019, nr. 1, p. 19-22