Waarborgen dat het slachtoffer zijn toekomstschade daadwerkelijk kan dragen

Mr. J.G. Keizer
Als er sprake is van blijvend letsel, waarbij ook de arbeidscapaciteit van de benadeelde duurzaam is aangetast, wordt er in letselschadezaken in overgrote meerderheid gekozen om de toekomstschade op enig moment af te wikkelen, waarbij de toekomstschade via een ‘som ineens’ (analoog aan artikel 6:105 BW) wordt uitgekeerd. Aan de benadeelde die bijvoorbeeld door verlies aan verdienvermogen en/of kosten voor verpleging en verzorging jaarlijks schade zal leiden, moet dan een kapitaal worden uitgekeerd dat toereikend is om ieder jaar een bedrag ter hoogte van die jaarschade te kunnen opnemen. Het resterende saldo is dan onderhevig aan ontwikkelingen van rendement en inflatie.
Om te berekenen welk beginkapitaal de benadeelde bij een som ineens nodig heeft, zodat die aldus gekapitaliseerde schadevergoeding overeenkomt met een periodiek uit te keren schadevergoeding, wordt de zogenaamde rekenrente gehanteerd. De rekenrente is het saldo van rendement en inflatie, en drukt de schade, ervan uitgaande dat het een positieve rekenrente is, doordat het effect van de te behalen rente hoger is dan de inflatie. Hoe hoger de te hanteren rekenrente, hoe lager de som ineens wordt. Hierdoor is de rekenrente een belangrijke factor bij de vaststelling van de schade-uitkering.
In deze bijdrage bespreekt de auteur in de eerste plaats de uitgangspunten voor het bepalen van de rekenrente. Niet om een nieuwe norm of rekenrente te bepleiten, maar om duidelijk te maken dat het de hoogste tijd is voor een beter uitgewerkte norm. De auteur wil vooral laten zien dat over het traject na de schadevaststelling beter moet worden nagedacht: welke verplichtingen rusten op partijen als de schade eenmaal is vastgesteld? Moet de benadeelde niet actief en/of financieel worden geholpen om de in het vooruitzicht gestelde rendementen ook daadwerkelijk te realiseren? Past het bij een verantwoordelijke wijze van schadeafwikkeling om de benadeelde op het hart te drukken financieel advies in te winnen, zodat het rendement wordt gerealiseerd?
In de jurisprudentie noch in de literatuur bestaat consensus over de maatstaf voor de bepaling van het veronderstelde rendement. Vaak wordt aangeknoopt bij de te behalen rendementen op (kortlopende) staatsleningen en (spaar)deposito’s. Nadeel van deze beleggingsvormen is dat opnames op de korte termijn niet mogelijk zijn. De rente op andere beleggings- of spaarproducten, waarbij tussentijdse opnames wel mogelijk zijn, ligt structureel lager dan 6%. Ook het inflatiepercentage over de afgelopen jaren is lager geweest dan de vaak gehanteerde 3%, namelijk gemiddeld 1,88%. Maar dit laat onverlet dat in de laatste twee decennia het saldo van rendement en inflatie samen vrijwel nooit 3% is geweest, omdat benadeelden het veronderstelde rendement van 6% nooit konden realiseren. Er bestaat kortom alle aanleiding voor een (grondige) herbezinning, omdat de dalende rentestanden een structureel karakter hebben gekregen.
Er zijn alternatieven voorhanden. Met name het navolgen van de methode die in het Verenigd Koninkrijk wordt gehanteerd, waarbij een commissie van deskundigen periodiek beziet of er aanleiding is de rekenrente aan te passen, lijkt de auteur raadzaam. In het Verenigd Koninkrijk wordt gebruik gemaakt van de ‘discount rate’, die min of meer vergelijkbaar is met ons begrip rekenrente. Deze ‘discount rate’ wordt onder regie van de overheid vastgesteld door een werkgroep van actuarissen, accountants, advocaten en verzekeraars. De bevindingen van deze werkgroep worden uitgebracht in de vorm van richtlijnen, die in de praktijk de ‘Ogden tables’ worden genoemd. Naar aanleiding van de langjarige dalende rendementen op de kapitaalmarkten is bepaald dat de ‘discount rate’ wordt verlaagd van 2,5% naar -0,75%. Er moet dus een negatieve rekenfactor worden gehanteerd, waarbij men ervan uitgaat dat aan een benadeelde bij afwikkeling van een som ineens een groter kapitaal moet worden uitgekeerd dan de optelsom van alle nominale in de toekomst te lijden jaarschades.
Wat de auteur betreft blijft de rol van de commissie van deskundigen niet beperkt tot het vaststellen en actualiseren van de rekenrente, maar gaat die commissie ook voorbeelden ontwikkelen van manieren waarop een benadeelde het kapitaal zou kunnen laten renderen of op andere wijze verantwoord kan besteden.
De auteur concludeert dat, zolang er nog geen breed gedragen adviezen van een commissie rekenrente beschikbaar zijn en zolang onduidelijk blijft wat de basis is van de toegepaste rekenrente van 3%, de belangenbehartiger in zaken met een som ineens van relevante omvang, zich op het standpunt moet stellen dat in ieder geval voor de eerste periode van de looptijd geen rekenrente wordt gehanteerd, althans een rekenrente van 0%. Als de aansprakelijke partij stelt dat de benadeelde wel het verondersteld rendement kan behalen, mag de belangenbehartiger van de aansprakelijke partij verwachten dat hij motiveert op welke wijze en tegen welke kosten dat rendement gerealiseerd kan worden, bijvoorbeeld in een deelgeschilprocedure. Veel wenselijker is het dat deze procedures achterwege blijven en dat ‘de polder’ nu eens werk maakt van het verbeteren en professionaliseren van de wijze waarop de som ineens wordt vastgesteld. Het Verenigd Koninkrijk kan daarbij als voorbeeld dienen. Nog belangrijker is dat de benadeelde daadwerkelijk wordt ondersteund in de keuzes die hij moet maken op het moment van uitkering. Als er daadwerkelijk degelijke financiële constructies mogelijk zijn voor de veronderstelde kapitaalaanwas, terwijl jaarlijks opnames mogelijk blijven, dan lost de discussie over de te hanteren rekenrente zich vanzelf op. Uiteindelijk is de rekenrente alleen maar een middel om te bereiken dat de benadeelde daadwerkelijk in staat is om zijn toekomstschade te dragen.

Bron: 
Letsel & Schade 2018, afl. 3, p. 6-15