Supercel veroorzaakt geen stormschade, wel een trendbreuk in het verzekeringsrecht

VR-kort
Artikel
19 januari 2022

Mr. M.G. Kos
In 2021 heeft het vraagstuk van verzekeringsrechtelijk causaal verband tot drie arresten geleid.
In alle drie de zaken draaide het om de vraag hoe over de dekkingsvraag moet worden geoordeeld in situaties waarin schade die onder een verzekering wordt geclaimd het (mogelijk) gevolg is van meerdere oorzaken, en waarin voor schade door één van de mogelijke oorzaken dekking bestaat, terwijl schade door de andere oorzaak niet is gedekt.
Twee van deze zaken gingen over schade aan bedrijfsgebouwen, ontstaan door een supercel die op 23 juni 2016 over het zuiden van het land raasde. De andere zaak draaide om de vraag of schade aan een auto was veroorzaakt door diefstal dan wel brand.
Zeker als deze arresten in samenhang worden bezien, kan daaruit, en uit de daarbij behorende conclusies van A-G’s Hartlief en Valk, veel worden geleerd. De meest in het oog springende les uit deze arresten is dat de dominant cause-leer niet als heersende causaliteitsleer in het verzekeringsrecht kan worden beschouwd. In de afgelopen jaren had de dominant cause-leer steeds meer navolging gekregen, zowel in de rechtspraak als in de verzekeringsrechtelijke literatuur. De Hoge Raad heeft die ontwikkeling een halt toegeroepen.
Verder lijkt uit de arresten te kunnen worden opgemaakt dat de Hoge Raad, in navolging van beide betrokken A-G’s, de leer van de redelijke toerekening heeft omarmd voor gevallen waarin tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de toepassing van enige andere causaliteitsleer. Ten slotte is interessant dat is bevestigd dat een proportionele benadering acceptabel kan zijn.
In dit artikel worden deze drie genoemde aspecten nader belicht. Maar allereerst wordt het arrest H/Unigarant uit 1993 in herinnering geroepen. Daarin is het uitgangspunt voor de beoordeling van het bestaan van causaal verband vastgesteld. Dit uitgangspunt is in de recente arresten bevestigd. Vervolgens wordt ingegaan op de diverse normatieve causaliteitstheorieën die in het verzekeringsrecht worden onderscheiden. Daarna komen de drie recente arresten en de daaruit te trekken lessen aan bod, waarbij ook aan de orde wordt gesteld dat sprake is van een trendbreuk. Ten slotte wordt kort ingegaan op de mogelijkheid van een proportionele benadering.
De auteur concludeert dat de supercel geen gedekte stormschade heeft veroorzaakt, maar wel een trendbreuk in het verzekeringsrecht. In het vervolg zal niet meer zonder meer kunnen worden aangenomen dat in gevallen van polycausaliteit de dominant cause-leer kan worden toegepast.
Welke causaliteitsmaatstaf passend is in een voorkomend geval, hangt in de eerste plaats af van de inhoud van de verzekeringsovereenkomst. Als de overeenkomst onvoldoende houvast biedt, kan op basis van andere factoren een redelijke uitkomst worden bepleit. In dat kader zal aansluiting kunnen worden gezocht bij een van de normatieve causaliteitstheorieën, als daarvoor aanleiding bestaat.
De Hoge Raad lijkt al met al te hebben gekozen voor een systeem waarin differentiatie mogelijk is en lijkt daarmee een voorstander te zijn van de leer van de redelijke toerekening. Of die overkoepelende term op zijn plaats is, is evenwel niet zeker. In gevallen waarin meerdere oorzaken aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen, kan een proportionele benadering aangewezen zijn. De auteur verwacht dat in de toekomst nog vele discussies over dit onderwerp zullen volgen.
 

 

Bron: 
MvV 2021, afl. 11