Overlijdensschade 2.0: een juridische analyse

VR-kort
Artikel
09 september 2015

Mr. J.M. Tromp
In november 2014 is door de werkgroep ‘Denktank Overlijdensschade’ (hierna: de Denktank) een nieuwe methode gelanceerd voor de berekening van een overlijdensschade. In februari 2015 is die methode door De Letselschade Raad tot richtlijn verheven. Het nieuwe model is ten opzichte van het oude model gepresenteerd als een eenvoudiger, moderner en transparanter model voor het berekenen van letselschade. De vraag is of dat wel zo is, althans in de praktijk ook zo zal uitpakken.
De auteur gaat achtereenvolgens in op het wettelijk kader in kort bestek, het oude rekenmodel in hoofdlijnen, het nieuwe rekenmodel van de Denktank, de eerste ervaringen van drie rekenbureaus met het nieuwe model en de belangrijkste lessen uit de jurisprudentie. Zijn tussenconclusie is dat ook in het nieuwe model veel arresten relevant blijven. Het artikel wordt vervolgd met de bespreking van twee punten van kritiek, gevolgd door een voorstel voor een praktische oplossing en het antwoord op de vraag of sprake kan zijn van beroepsaansprakelijkheid vanwege de keus voor één van beide modellen.
Het nieuwe model bestaat uit twee delen: een rekendeel I en een juridisch deel II. De auteur concludeert dat het rekenmodel inderdaad eenvoudiger, moderner en transparanter is. Daarna is een taak weggelegd voor de belangenbehartiger in het tweede, juridische deel van het model, een taak die niet moet worden onderschat. Volgens de auteur zijn de rol en de verantwoordelijkheid van de belangenbeharti-ger in het nieuwe model toegenomen ten opzichte van het oude model.
Met het nieuwe model is het berekenen van de gezinsschade na een overlijden van één van de ouders sneller en eenvoudiger geworden. Door uit te gaan van het gezin als economische eenheid wordt aansluiting gezocht bij de dagelijkse realiteit. Op basis van een nieuwe definitie van het besteedbaar inkomen is onderzocht welke uitgaven na een overlijden wegvallen. De aldus grof berekende gezinsschade kan nog op de specifieke omstandigheden van het betreffende geval worden toegesneden. Daarna is deel I afgesloten en komt deel II aan bod.
Een punt van kritiek is het advies van de Denktank om de gezinsschade in deel II niet te verdelen over de gezinsleden. Het kan, maar het hoeft niet. Dat advies is door De Letselschade Raad overgenomen. Mede gezien de onderhoudsplicht die op de ouder rust, zou er geen bezwaar bestaan om als ouder de gehele gezinsschade te vorderen, aldus de Denktank. Zo wordt onder meer voorkomen dat de voor minderjarigen bestemde bedragen aan het einde van de looptijd van de schade nog op de BEM-rekening staan. Dit advies staat op ge-spannen voet met het wettelijk kader. Ieder van de gezinsleden heeft namelijk een eigen recht op schadevergoeding. Niet valt in te zien hoe de toekomstschade van de (minderjarige) kinderen bevrijdend kan worden gestort op de bankrekening van iemand anders.
Een tweede punt van kritiek is dat het nieuwe model ruimte biedt om, naast gederfd levensonderhoud in geld, ook het gederfd levenson-derhoud in natura mee te nemen.
De oplossing lijkt eenvoudig door standaard te verdelen in plaats van optioneel, waarbij bovendien een duidelijker onderscheid kan worden gemaakt in gederfd levensonderhoud in geld en natura. Dat betekent dat aan de berekening nog één of meer individuele kolom-men ‘natura’ moeten worden toegevoegd. Uit de berekening valt dan af te leiden wat per persoon de toekomstige jaarschaden zijn. Daar-na kan in een brief aan de kantonrechter toestemming worden gevraagd voor I. de gehele regeling en II. het periodiek laten vrijvallen van de toekomstschade conform het per kind vast te stellen onttrekkingsschema. Het zou goed zijn als de Denktank (en in navolging daarvan De Letselschade Raad) dit aspect zou heroverwegen.
Wellicht dat de Denktank dan ook in het kader van een vervolgopdracht aan het Nibud zou kunnen vragen wat de WNU-percentages (weggevallen normatieve uitgaven) zijn als I. de ouder van een eenoudergezin komt te overlijden en II. als beide ouders door een ongeval komen te overlijden.
Het verrekenvraagstuk is geen onderdeel meer van de (economische) berekening in deel I, maar kan nog wel onderwerp zijn van het (juridisch) debat in deel II. Ook op dat punt bestaat behoefte aan modernisering en vereenvoudiging. Ook daartoe heeft de Denktank een belangrijke aanzet gegeven. De gebruikte formulering en de aanbevolen criteria duiden eerder op een toets in het kader van de voordeel-stoerekening op grond van art. 6:100 BW dan op een behoeftevermindering via art. 6:108 BW.
De Denktank kan in een volgend rapport expliciet stelling nemen tegen het oude en discriminerende behoeftigheidsvereiste. Dat vereiste is niet meer van deze tijd. De simpele formule X-Y=Schade is een werkbaar alternatief, waarbij de X staat voor de situatie zonder ongeval en de Y voor de situatie met ongeval. Het verschil daartussen moet zo goed en zo kwaad mogelijk op geld worden gewaardeerd. Het voordeel daarvan zou ook zijn dat overlijdensschades en letselschadezaken dogmatisch hetzelfde kunnen worden behandeld.
Voor overlijdensschade is het momenteel in rekenkundig opzicht ‘oud & nieuw’. Dat roept de vraag op of een belangenbehartiger een beroepsfout maakt als hij voor één van beide modellen kiest of daaraan meewerkt. Naar mening van de auteur zal die aansprakelijkheid niet kunnen worden gebaseerd op de keus voor de oude of de nieuwe methode, maar wel op een onzorgvuldige toepassing van het gekozen model.
 

Bron: 
Letsel & Schade 2015, afl. 2, p. 5-22