Over schade, veroorzaakt door paarden. Het beste paard struikelt wel eens

M. van de Braak en Mr. N. Verhoeks
Paarden kunnen gedrag vertonen dat niet wenselijk is. Het zijn immers dieren. Dit kan leiden tot ernstig letsel bij de ruiter of een omstander. Dit ongewenste gedrag kan zich in allerlei situaties voordoen, zoals tijdens het bestijgen van het paard, terwijl het paard naar een weiland wordt gebracht of tijdens het berijden van een paard. Jaarlijks belanden 9.900 ruiters en amazones op de spoedeisende hulp na een val van een paard. Hiervan lopen 70 personen zelfs ernstig hersenletsel op.
In het artikel wordt de grondslag van art. 6:179 BW besproken en wordt beschreven wanneer er sprake is van ‘eigen energie’ van het paard. Daarna wordt aan de hand van jurisprudentie de vraag beantwoord of de schadevergoedingsverplichting geheel of gedeeltelijk kan komen te vervallen door de toepasselijkheid van eigen schuld ex art. 6:101 BW en de toepassing van de billijkheidscorrectie.
In de parlementaire geschiedenis wordt gewezen op de omvang van de aansprakelijkheid voor dieren. In het dier schuilt een gevaar en dat kan worden verklaard door de ‘eigen energie van het dier’ dat een ‘onberekenbaar element’ bevat. Als dat gevaar zich verwezenlijkt, dan is krachtens art. 6:179 BW de bezitter van het dier aansprakelijk voor de schade die is ontstaan. Sinds het Stierkalf-arrest rust op de bezitter van het dier een risicoaansprakelijkheid. Een bezitter kan zich niet van aansprakelijkheid bevrijden door te stellen en te bewijzen dat hem ten aanzien van de schade geen enkel verwijt valt te maken. Een bezitter van een dier is echter niet aansprakelijk indien aansprakelijkheid krachtens art. 6:162 BW zou hebben ontbroken indien de bezitter de gedragingen van het dier in zijn macht zou hebben gehad en dus bewust zou hebben toegelaten. Dit wordt ook wel aangeduid als de tenzij-regel. Een voorbeeld uit de jurisprudentie van deze regel bij ongevallen met paarden is de auteurs niet bekend en zal zich naar alle waarschijnlijkheid niet snel voordoen. Is er evenwel sprake van een bedrijfsmatig gebruiker in de zin van art. 6:181 BW, dan geldt dat uitsluitend de bedrijfsmatig gebruiker aansprakelijk kan worden gehouden. Art. 6:181 BW kanaliseert de aansprakelijkheid naar de bedrijfsmatig gebruiker, zodat op de bezitter in die hoedanigheid geen aansprakelijkheid rust op grond van art. 6:179 BW.
In de jurisprudentie zijn tal van voorbeelden te vinden waarin de eigen energie en het onberekenbare element dat daarin ligt besloten, een rol speelt. In sommige kwesties is het op het oog duidelijk dat de eigen energie van het dier een rol heeft gespeeld zonder voorafgaand handelen van de ruiter of van een ander, zoals bij een paard dat plotseling met zijn been naar achter schopt of een paard dat op onverklaarbare wijze op hol is geslagen. Het gaat in dit soort gevallen om gedragingen waarin het gedrag van het paard niet door een mens is gestuurd. Het is ‘natuurlijk en onvoorspelbaar gedrag’ van het paard en de daardoor ontstane schade wordt aangemerkt als ‘door het dier aangericht’, waarvoor de bezitter aansprakelijk is.
Niet in alle gevallen is de bezitter van een paard aansprakelijk voor de schade die ontstaat waarbij een paard is betrokken. Art. 6:179 BW is niet van toepassing als het lichaam van het paard slechts object is van krachten die van buiten komen, zonder dat de eigen energie van het paard als levend wezen een rol heeft gespeeld. Bijvoorbeeld wanneer het dier door een mens op de weg wordt geslingerd of wanneer het dier is besmet met een besmettelijke ziekte die, anders dan door zijn eigen gedragingen, op een ander dier of mens wordt overgebracht. In de tweede plaats is de bezitter van het paard niet aansprakelijk in de situatie waarin het paard als ‘instrument handelt van de persoon die hem berijdt of leidt’. Een recente uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland is, volgens de auteurs, de enige gepubliceerde uitspraak waarin werd geoordeeld dat een pony als instrument handelde (zie VR 2017/148; red. VR).
In veel aansprakelijkheidskwesties speelt tussen partijen met name de discussie of de schade is veroorzaakt door de desbetreffende ruiter of door de eigen energie van het paard. Voor aansprakelijkheid is enkel causaal verband – in die zin dat zonder het paard geen schade zou zijn ontstaan – onvoldoende. In de literatuur wordt een ruimere uitleg van art. 6:179 BW bepleit, omdat voorkomen moet worden dat bij elk geschil discussie bestaat over de vraag of de schade het gevolg is van een onberekenbaar element in de eigen energie van het dier. De auteurs zijn van mening dat art. 6:179 BW niet ruim moet worden uitgelegd. Noch de jurisprudentie noch de parlementaire geschiedenis biedt hiervoor aanleiding. Blijkens het arrest Zengerle/Blezer is het onberekenbare element een voorwaarde voor aansprakelijkheid ex art. 6:179 BW. Ook in de parlementaire geschiedenis wordt door de woorden ‘dit vereiste’ duidelijk aangegeven dat het dient te gaan om de eigen energie van het dier dat een onberekenbaar element bevat.
Staat de aansprakelijkheid van de bezitter vast, dan dient zich de vraag aan of de schadevergoedingsplicht verminderd dient te worden omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die is toe te rekenen aan de benadeelde. Bestijgt een ruiter immers niet vrijwillig een paard en kan een eventuele val niet aan die vrije keuze worden verweten? Over deze vraag heeft de Hoge Raad in 2002 een instructief arrest gewezen, te weten het arrest Bunink/Manege Nieuw Amstelland. De rechtsverhouding tussen benadeelde en bezitter van een paard kan er toe leiden dat een deel van de schade voor rekening van de benadeelde dient te blijven. Dit geldt met name voor de situatie waarin partijen over en weer geen verwijt van onzorgvuldigheid valt te maken. De inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de vraag of en in hoeverre de schadevergoedingsplicht moet worden verminderd. Zo kunnen de leeftijd en ervaring van de ruiter een belangrijke rol spelen bij de vaststelling van het vergoedingspercentage en de toepassing van een eventuele billijkheidscorrectie.
In situaties waarin de benadeelde niet als ruiter betrokken is, is art. 6:101 BW ook toepasbaar, maar niet op dezelfde manier. Bij toevallige aanwezigheid te midden van paarden gaat het eigen schuld-verweer niet op, zo oordeelde de Rechtbank Assen in 1947. In 2004 deed het Hof Den Bosch in een vergelijkbare situatie uitspraak. Het hof overweegt bij de toepassing van art. 6:101 BW dat aan de zijde van benadeelde sprake was van onvoorzichtig gedrag door zo dicht achter het paard te lopen dat zij geraakt kon worden door een plotselinge trap naar achter van het paard.
De conclusie luidt dat aansprakelijkheid ex art. 6:179 BW enkel aan de orde is als het schadeveroorzakende feit voortvloeit uit de eigen energie van het paard, dat een onberekenbaar element bevat. Wanneer aansprakelijkheid vaststaat, dan zijn de inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval bepalend voor de vraag of en in hoeverre de schadevergoedingsplicht moet worden verminderd. De causale verdeling en eventuele billijkheidscorrectie samen leveren uiteindelijk de toe te passen verdeling op in een concreet geval.
 

Bron: 
PIV-Bulletin oktober 2017, afl. 4, p. 10-15