Over frauderende slachtoffers en WAM-verzekeraars. En de vraag of civielrechtelijke sanctionering mogelijk, of zelfs gewenst is

Mr. F.M. Ruitenbeek en mr. M. de Vries
De aanleiding van deze bijdrage ligt in het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam van 13 oktober 2017 over de rechtspositie van frauderende claimanten jegens een WAM-verzekeraar. Dit vonnis bevat de principiële rechtsoverweging dat artikel 7:941 lid 5 BW, dat in geval van frauderende verzekerden grond biedt voor verval van recht op uitkering, niet van toepassing is in de verhouding tot frauderende claimanten. Deze rechtsoverweging valt op, omdat de kantonrechter ter afwijzing van het beroep van Allianz, de WAM-verzekeraar, ook had kunnen volstaan met het oordeel dat de gestelde fraude niet aannemelijk was gemaakt. De kantonrechter koos evenwel voor een principiële overweging en in die overweging klinken elementen door die ook naar voren zijn gebracht in de discussie in de literatuur over de rechtspositie van frauderende claimanten en de mogelijkheden tot sanctionering van hun gedrag.
In dit artikel bezien de auteurs het vonnis in het licht van deze discussie en bespreken ze vervolgens twee vragen die deze casus oproept. Zij beschrijven de aan het vonnis ten grondslag liggende casus, om vervolgens de centrale rechtsoverweging ten aanzien van Allianz’ beroep op verval van het recht op uitkering nader te beschouwen. Daarna werpen zij de vraag op of Allianz iets zou opschieten met het door haar bepleite verval van het recht op uitkering. Uit het antwoord op deze vraag vloeit de tweede vraag voort: biedt de fraude mogelijk (wel) grond om te derogeren aan het recht op schadevergoeding dat het slachtoffer in de aansprakelijkheidsverhouding toekomt?
De mogelijkheid van civielrechtelijke sanctionering van verzekeringsfraude appelleert sterk aan het ‘fraude kan en mag niet’-gevoel. Ten opzichte van hun eigen verzekerden kunnen verzekeraars in geval van fraude ontkomen aan hun dekkingsplicht; in de verhouding tot het gevonden verkeersslachtoffer doet die mogelijkheid zich echter niet voor. In de zaak die aanleiding gaf voor dit artikel zag de kantonrechter geen grond voor analoge toepassing van artikel 7:941 lid 5 BW of voor verval van het recht op uitkering via de band van de redelijkheid en de billijkheid.
In het verlengde van dit oordeel stelden de auteurs de vraag of verval van het recht op uitkering het door verzekeraars gewenste effect sorteert. Naar mening van de auteurs is dat niet het geval, omdat met verval van dat recht op uitkering niet tevens de schadevergoedingsplicht van de aangesproken verzekerde van tafel is. Daarom onderzochten zij naar aanleiding van het besproken vonnis of fraude in de aansprakelijkheidsverhouding kan derogeren aan dat recht op schadevergoeding. Daarbij zou immers ook de aansprakelijkheidsverzekeraar rechtstreeks gebaat zijn. Artikel 6:2 lid 2 BW biedt hiertoe weliswaar een aanknopingspunt, maar mede vanwege de aard van de aansprakelijkheidsverhouding mag toepassing daarvan niet snel leiden tot verlies van het recht op vergoeding van daadwerkelijk geleden schade.
Na de uitvoerige bespreking van de civielrechtelijke sanctioneringsmogelijkheden van frauderende claimanten zou haast uit het oog geraken dat de claimanten in de besproken zaak niet als zodanig werden aangemerkt. De vermeende fraude is volgens de kantonrechter niet komen vast te staan. De argwaan van Allianz werd in zoverre wel beantwoord dat het betwijfelde deel van de schade niet werd toegewezen.

Bron: 
TVP 2018, afl. 1, p. 23-31