Kwalitatieve aansprakelijkheid van de werkgever voor arbeidsgerelateerde schade

Mr. dr. A. Kolder
Wanneer een werknemer wordt geconfronteerd met arbeidsgerelateerde schade, gaan de gedachten doorgaans al snel uit naar art. 7:658 BW als mogelijke grondslag van een schadevergoedingsactie. Dit artikel kenmerkt zich door een strenge zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid en het welzijn van de werknemer, een voor de werknemer gunstige regeling van de stelplicht en bewijslast, alsook een bijzondere van artikel 7:611 BW afwijkende eigen schuldregeling. De bescherming van art. 7:658 BW is in 1999 uitgebreid naar flexibele arbeidskrachten, zoals ingeleende werknemers, vrijwilligers, stagiairs en onder omstandigheden zelfs zzp’ers. Ook art. 7:611 BW vervult vandaag de dag een relevante rol bij de vergoeding van arbeidsgerelateerde schade. Zo brengt deze bepaling voor de werkgever een zorgplicht mee voor schade die niet wordt geleden ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ als bedoeld in art. 7:658 BW, maar die toch in voldoende verband staat met de arbeidsovereenkomst. Het gaat om ongevallen op de grens van de werk- en privésfeer, waarvan bedrijfsuitjes een voorbeeld zijn. Anders dan art. 7:658 BW brengt art. 7:611 BW geen bijzondere regeling van de stelplicht en bewijslast met zich, terwijl voor wat betreft eigen schuld ‘gewoon’ art. 6:101 BW toepasselijk is. Voorts geldt op grond van art. 7:611 BW een ‘behoorlijke verzekeringsplicht’ van de werkgever voor schade door arbeidsgerelateerde verkeersongevallen van zijn werknemers.
In deze bijdrage laat de auteur de knelpunten van het op art. 7:658 en 7:611 BW gebaseerde stelsel voor wat ze zijn, en staat stil bij andere grondslagen van werkgeversaansprakelijkheid, te weten de verschillende buitencontractuele kwalitatieve aansprakelijkheden voor personen en zaken uit afdeling 6.3.2 BW. Ook kwalitatieve aansprakelijkheid kan namelijk een relevante rol vervullen in geval van dit soort schade. In sommige gevallen bieden de art. 7:658 en 7:611 BW de gelaedeerde werknemer geen soelaas, terwijl een kwalitatieve aansprakelijkheid wel uitkomst kan bieden. Ter illustratie hiervan wordt kort stilgestaan bij de problematiek van samenloop. Immers, de vraag of in een arbeidsrechtelijke verhouding náást de specifiek daarop toegesneden aansprakelijkheden uit de art. 7:658 en 7:611 BW nog ruimte bestaat voor een beroep op kwalitatieve aansprakelijkheid ex afd. 6.3.2 BW is een vraag van samenloop. Aansluitend komen in relatie tot de werkgeversaansprakelijkheid de kwalitatieve aansprakelijkheden voor ondergeschikten, roerende zaken, opstallen, gevaarlijke stoffen en dieren afzonderlijk aan de orde. En hoewel alsdan van 'samenloop' strikt genomen geen sprake is – er zijn tegelijkertijd niet meerdere aansprakelijkheidsregimes van toepassing op dezelfde gebeurtenis – stipt de auteur ook flexibele arbeidsrelaties aan die niet onder de reikwijdte van art. 7:658 lid 4 BW vallen. Wanneer aan de toepassingsvereisten van laatstgenoemde bepaling niet is voldaan, kan een kwalitatieve aansprakelijkheid de gelaedeerde arbeidskracht bij een vordering tegen diens opdrachtgever/vermeende materiële werkgever immers soms wel uitkomst bieden.

Bron: 
AV&S oktober 2015, afl. 5, p. 129-134