Een Europees schadebegrip?

Prof. mr. T.F.E. Tjong Tjin Tai
Een mogelijke invulling van een ‘Europees schadebegrip’ is om te abstraheren van de Europese Unie en een rechtsvergelijkende benadering te kiezen die een ‘common core’ blootlegt bij de verschillende jurisdicties in Europa. Er zijn diverse voorbeelden van dergelijke academische initiatieven, die mede waren ingegeven door de hoop dat dit de Europese wetgever tot harmonisatie zou aanzetten. Echter, schade lijkt bij uitstek een onderwerp dat diep verankerd is in de nationale rechtsordes en waar de Europese Unie geen rol zou hoeven of mogen spelen. Toch blijkt dat de Europese Unie wel degelijk het schadebegrip van de nationale stelsels beïnvloedt, zij het niet in de vorm van een alomvattende harmonisatie.
In deze bijdrage wordt betoogd dat de Europese Unie, meer bepaald het Hof van Justitie, een relatief coherente visie op schade heeft ontwikkeld. Om dit duidelijk te maken geeft de auteur eerst een rechtsvergelijkende schets van de wijze waarop ‘schade’ figureert in nationale rechtsordes. Hieruit blijkt dat, hoewel er kleine verschillen zijn, de basis overal hetzelfde is: in zoverre wordt gewerkt met eenzelfde begrip van schade. Ook worden dezelfde relevante criteria gebruikt, alleen verschilt de precieze formulering van deze criteria en de plaats waar grenzen worden getrokken. Dit wordt bevestigd in de twee verschillende ‘principles’, PETL en Draft Common Frame of Reference (DCFR) die ingaan op schade. De twee regelingen duiden drie hoofdbeginselen van schade aan: het geschade belang, het nadeel en de vergoeding. In beide gevallen geldt dat compensatie het uitgangspunt is voor de te betalen schadevergoeding. Afhankelijk van de specifieke regels in de toepasselijke jurisdicties, wisselt de precieze omvang van de compensatie. In zoverre is compensatie slechts een beginsel dat niet volledig de uitkomst bepaalt.
Er kan dus worden gesproken over een gemeenschappelijk Europees schadebegrip. De Europese Unie heeft tot op heden geweigerd om het burgerlijk recht als geheel te harmoniseren. In plaats daarvan is gekozen voor sectorale regelgeving, die wel steeds grotere delen van het burgerlijk recht is gaan bestrijken en ook steeds dieper heeft ingegrepen in het systeem van het burgerlijk recht. Toch is er op Unierechtelijk niveau het een en ander gebeurd ten aanzien van schade en zijn er ontwikkelingen naar een autonoom begrip van schade in het recht van de EU. Een voorbeeld hiervan is de zaak Leitner/TUI met betrekking tot de aanspraak op (immateriële) schadevergoeding bij een teleurstellende pakketreis.
Een tweede lijn is zichtbaar ten aanzien van de te vergoeden nadelen. In HvJ 13 juli 2006, C-295/04 (Manfredi), werd geoordeeld dat bij inbreuk op mededingingsrecht ‘personen die schade hebben geleden niet alleen aanspraak hebben op vergoeding van de reële schade, maar ook van gederfde winst alsmede van rente'.
Een derde lijn is te zien in diverse andere uitspraken, bijvoorbeeld in HvJ 10 april 1984, zaak 14/83 (Van Colson) betreffende de omvang van de schadevergoeding vanwege discriminatie op basis van geslacht van een vrouwelijke sollicitant, en HvJ 13 juli 2006, C-295/04 (Manfredi) waar het ging over de vraag welke vergoeding effectief zou zijn als reële schadevergoeding volgens de nationale regels beperkt is.
Deze rechtspraak van het HvJ laat zien dat het EU-recht op alle drie hoofdaspecten van schade wijzigingen aanbrengt: de beschermde belangen, de te vergoeden nadelen en de omvang van de schadevergoeding. De invloed wijst steeds in dezelfde richting. Nationale beperkingen worden weggenomen, omdat deze in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel en het effectiviteitsbeginsel. Als Europese regels een individueel recht toekennen, dient dit effectieve bescherming te krijgen en dit vereist zo volledig mogelijke schadevergoeding. Deze benadering wijkt intrinsiek af van de nationale systemen, waarbij geen rechtlijnig verband is tussen de erkenning van enig recht en de daaraan verbonden schadevergoeding. Hieruit blijkt dat het EU-recht duidelijk meer gericht is op handhaving en mede daardoor ook sterker geïnteresseerd in punitieve elementen. Dit wijkt af van de weerstand in nationale stelsels tegen punitieve vergoedingen.
Men kan vraagtekens zetten bij de Europese benadering, omdat deze tot gevolg heeft dat rechten die in de EU-regelgeving zijn erkend, worden beschermd door aanmerkelijk hogere schadevergoedingen dan die welke bij nationale rechten worden toegekend. Daarmee gaat de EU mogelijk uit boven alle nationale beschermingsniveaus. In positieve zin kan men dit beschouwen als supranationaal breekijzer, waarmee achterhaalde beperkingen worden weggenomen.
De door het HvJ gekozen benadering ontmoet in essentie betrekkelijk weinig kritiek onder juristen. De verwachting is dat er een verdere uitbreiding volgt ten aanzien van ten minste drie onderwerpen: schade bij privacy-schendingen, bescherming tegen cybercrime en de bescherming van data.
De Europese benadering van schade is consistent, maar wijkt sterk af van de vele nuances en beperkingen die van oudsher in nationale stelsels zijn aanvaard. Men kan dit beschouwen als een misvatting van de Europese juristen, die onvoldoende kennis hebben van de afwegingen die in het gehele stelsel van het burgerlijk recht moeten worden gemaakt en die ertoe leiden dat er allerlei beperkingen nodig zijn op het beginsel van volledige compensatie. Men is eraan gewend dat bij schending van een individueel recht geen daadwerkelijk volledige compensatie wordt toegekend. Maar omgekeerd valt te verdedigen dat de Europese benadering aanleiding zou moeten zijn om nog eens kritisch te kijken naar alle historisch gegroeide uitzonderingen en beperkingen op volledige compensatie. Welke kant het opgaat zal de toekomst uitwijzen, hopelijk op basis van nader wetenschappelijk onderzoek.
 

Bron: 
NTBR januari 2018, afl. 1, p. 31-36