De vaststellingsovereenkomst in letselschadezaken

Mr. R.A. Dozy
In dit artikel laat de auteur de volgende onderwerpen de revue passeren: wat is (het doel van) een vaststellingsovereenkomst? Op welke wijze kan een vaststellingsovereenkomst worden aangetast? Waar moet de advocaat/letselschaderegelaar op letten bij het opstellen van een vaststellingsovereenkomst? Tot slot wordt een bijzonder aspect van de vaststellingsovereenkomst bij letselschadezaken besproken, namelijk het al dan niet opnemen van een medisch voorbehoud.
De vaststellingsovereenkomst is een bijzondere overeenkomst en als zodanig opgenomen in boek 7 titel 15 BW. Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande toestand mocht afwijken, aldus art. 7:900 BW. Een vast onderdeel van de vaststellingsovereenkomst is dat partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Deze gang van zaken veronderstelt daarom dat beide partijen weten welke standpunten en (toekomstige) rechten zij over en weer prijsgeven; zij behoren elkaar om die reden volledig te informeren, alvorens de inhoud van de overeenkomst wordt vastgesteld. Dit beginsel is neergelegd in artikel 6:2 lid 1 BW: partijen zijn verplicht zich jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
De vaststellingsovereenkomst dient als hoofdregel een einde te maken aan de discussie tussen partijen en dient daarom zo duidelijk mogelijk te zijn: partijen weten waar ze aan toe zijn, ze hebben hun verlies genomen en ze kunnen verder gaan met hun leven en/of werk. Maar geen regel zonder uitzondering: er kan achteraf toch nog ‘gedoe’ plaatshebben over de uitleg van de vaststellingsovereenkomst of over de totstandkoming ervan.
De vaststellingsovereenkomst is ook een gewone overeenkomst waarop de algemene regels van boek 3 BW of boek 6 BW van toepassing zijn. Dit betekent dat de overeenkomst kan worden aangetast door wilsgebreken of door de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Partijen moeten elkaar informeren over de relevante feiten en omstandigheden voor zij de inhoud van de vaststellingsovereenkomst vastleggen. Als zij deze verplichting schenden, kan dat aanleiding zijn de overeenkomst aan te tasten op grond van dwaling ex art. 6:228 lid 1 sub a BW (een (foutieve) inlichting van de wederpartij) of ex art. 6:228 lid 1 sub b BW (schending van de mededelingsplicht van de wederpartij) of op grond van bedrog. Misbruik van omstandigheden is een andere grond om de overeenkomst aan te tasten. Dit was het onderwerp van een uitspraak van het Hof Den Haag van 30 mei 2017.
Bij het opstellen van een vaststellingsovereenkomst moet een advocaat/letselschaderegelaar bedacht zijn op de voetangels en klemmen die verspreid liggen in letselschadeland. De Hoge Raad heeft een aantal gezichtspunten vastgesteld die een rol spelen bij het bepalen waarover de advocaat zijn cliënt moet informeren. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In dat kader komt onder meer betekenis toe aan: de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn. Voorts geeft de auteur een aantal aandachtspunten voor het afwikkelen van letselschade door het sluiten van een vaststellingsovereenkomst: Is de cliënt nog minderjarig? Is de cliënt gehuwd, en zo ja, onder welk regime? Is de cliënt gescheiden en ontvangt hij partneralimentatie? Is er sprake van een uitkering, en zo ja, welke? Zijn er fiscale toeslagen?
Ten slotte gaat de auteur in op het ‘medisch voorbehoud’. Het al dan niet opnemen van een (medisch) voorbehoud is een typisch aspect dat verbonden is aan de vaststellingsovereenkomst. Het opnemen van een (medisch) voorbehoud lijkt een contradictie: immers, met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst willen partijen definitief de schade regelen, ook voor de toekomst. Maar als de belangenbehartiger in de vaststellingsovereenkomst een medisch voorbehoud wil opnemen, op welke wijze moet dat voorbehoud dan gestalte worden gegeven? En welke haken en ogen zouden daaraan (in de toekomst) kunnen kleven? Het arrest van de HR 23 december 2016 geeft hier duidelijkheid over.

Bron: 
Tijdschrift Letselschade in de Praktijk 2018, afl. 2