De shockschadevordering in het strafproces

VR-kort
Artikel
11 februari 2016

Mr. E.S. Engelhard, mr. M.R. Hebly en mr. drs. I van der Zalm
Bij ernstige misdrijven, zoals moord en doodslag, komt het met regelmaat voor dat naasten en nabestaanden van slachtoffers op schadelijke wijze worden geconfronteerd met het misdrijf of de gevolgen ervan. Naar civiel recht bestaat dan mogelijk een aanspraak op vergoeding van de (psychische) schade die zij door de confrontatie met de schokkende gebeurtenis lijden. Willen zij hun schade verhalen, dan hebben zij in beginsel de mogelijkheid om zich met hun shockschadevordering als benadeelde partij te voegen in het strafproces, maar tot voor kort overwoog de Hoge Raad nog expliciet dat een dergelijke vordering ‘niet van zo eenvoudige aard’ is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding.
Weliswaar is per 1 januari 2011 het voegingscriterium verruimd – het gaat nu om de vraag of de behandeling van de vordering van de benadeelde partij niet een onevenredige belasting in het strafgeding oplevert – maar het is niet duidelijk in hoeverre dit ook gevolgen heeft voor de mate waarin shockschadevorderingen door strafrechters inhoudelijk worden beoordeeld.
In dit artikel staat daarom de volgende vraag centraal: ‘In hoeverre verklaren strafrechters benadeelden in hun shockschadevordering – in lijn met wat de rechtspraak van de Hoge Raad suggereert – niet-ontvankelijk, en in hoeverre worden deze vorderingen wel behandeld in het strafproces’. Om deze vragen te beantwoorden is uitvoerig jurisprudentie-onderzoek verricht, waarbij allereerst in ‘kwantitatief’ opzicht is vastgesteld hoeveel gevoegde shockschadevorderingen bij benadering worden toe- of afgewezen in het strafproces, en hoe vaak de strafrechter de benadeelde in deze vordering niet-ontvankelijk verklaart. Vervolgens zijn de uitspraken meer ‘kwalitatief’ bestudeerd om te achterhalen welke factoren bepalend zijn voor het ‘lot’ van de shockschadevordering in het strafproces.
De auteurs schetsen eerst de achtergronden van dit onderzoek. Vervolgens wordt de methode van onderzoek toegelicht, waarna de resultaten en bevindingen worden weergegeven en geëvalueerd.
Opvallend is dat ongeveer een kwart van de gevoegde shockschadevorderingen geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen in het strafpro-ces; in de meeste gevallen worden benadeelden in hun shockschadevordering niet-ontvankelijk verklaard. De wijziging van het voegingscriterium per 1 januari 2011 lijkt hierin geen verandering te hebben gebracht. Vaak is de niet-ontvankelijkverklaring niet altijd inzichtelijk gemotiveerd en blijft het meestal bij de vaststelling dat de behandeling van de shockschadevordering een onevenredige belasting van het strafproces vormt en/of dat een verklaring ontbreekt omtrent het geestelijk letsel. In de gevallen waarin strafrechters de vordering wel (deels) toewijzen, is in de meeste gevallen wel een verklaring van een deskundige overgelegd. In die gevallen waarin de strafrechter het bestaan van geestelijk letsel zo evident achtte dat een nadere verklaring van een deskundige niet nodig zou zijn, blijkt deze 'souplesse' in hoger beroep en/of cassatie geen stand te houden. Sommige strafrechters lijken terughoudend als het gaat om de omvang van het smartengeld, wijzen de vordering slechts gedeeltelijk toe (als voorschot), en verklaren de benadeelde voor het overige niet-ontvankelijk. Ook afwijzingen komen voor, voornamelijk wanneer geen sprake is van directe confrontatie.
Strafrechters lijken wel geneigd om een vordering tot vergoeding van shockschade in het strafproces toe te wijzen, zolang die vordering niet wordt betwist en wanneer het bestaan van geestelijk letsel is onderbouwd met een medische verklaring. Wanneer de omvang van het smartengeld een discussiepunt kan worden, zijn zij soms bereid om in elk geval een deel ervan toe te wijzen. Waar echter precies het ‘omslagpunt’ van de onevenredige belasting ligt, valt uit de rechtspraak niet op te maken: de niet-ontvankelijkverklaringen worden niet uitgebreid gemotiveerd.
Het is de vraag of het wel steeds wenselijk en terecht is dat benadeelden met deze vorderingen een groot risico lopen op niet-ontvankelijkheid. Zeker in het licht van de verruiming van het voegingscriterium. In de situatie na de verruiming van het voegingscriterium zou men juist een afname van het aantal niet-ontvankelijkverklaringen mogen verwachten, en dus een relatieve toename van het aantal toe- en afwijzingen. Het is overigens in het algemeen niet duidelijk of het nieuwe voegingscriterium daadwerkelijk tot minder niet-ontvankelijkverklaringen heeft geleid: gesuggereerd wordt wel dat het verruimde voegingscriterium in dezelfde mate en op dezelfde wijze wordt gehanteerd als het ‘oude’ voegingscriterium. Mogelijk speelt hier het probleem dat niet duidelijk is hoe het begrip ‘onevenredige belasting’ moet worden begrepen. De behandeling van de gevoegde vordering moet kennelijk ‘in een juiste verhouding’ staan tot het eigenlijke strafproces, maar hoe moet men nu (op voorhand) bepalen of een nader onderzoek naar het bestaan van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wel of niet proportioneel is.
Ook waar het de hoogte van het bedrag aan smartengeld betreft, voelt de strafrechter zich wellicht niet geheel ‘thuis’. Nu de rechter bij de begroting van het smartengeld moet letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, zou men kunnen zeggen dat het juist ten aanzien van shockschadevorderingen bij levensdelicten bij uitstek aan de strafrechter is om hier aanknopingspunten of zelfs een kader te ontwikkelen. Vereist is dan wel dat zij hun uitspraken meer uitgebreid motiveren dan zij nu doen. De uitspraken waarin strafrechters bij wijze van voorschot een deel van het smartengeld (doorgaans € 5.000) toewijzen en voor het overige de benadeelde niet-ontvankelijk verklaren, getuigen weliswaar van enige welwillendheid, maar vooral ook de vrees om al te hoge bedragen toe te wijzen. Een discussie over de omvang van het volledige bedrag aan smartengeld wegens shockschade mag naar oordeel van de auteurs niet snel om deze reden als onevenredige belasting van het strafproces worden aangemerkt. Dat lijkt haaks te staan op de bedoeling van de verruiming van het voegingscriterium in 2011.
Shockschadevorderingen kunnen ingewikkelde vragen oproepen. In het strafproces brengt de ingewikkeldheid een risico van niet-ontvankelijkheid met zich mee. Nu shockschadeproblematiek bij uitstek kan spelen bij levensdelicten, lijkt het de auteurs zinnig dat ernaar wordt gestreefd deze vorderingen zo veel mogelijk binnen het strafproces te houden. Als de verruiming van het voegingscriterium serieus wordt genomen, als inzichtelijker wordt gemotiveerd waarom de behandeling van een vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert en als strafrechters niet beschroomd zouden zijn zich aan complexere civielrechtelijke (smartengeld)vorderingen te wagen. Nader onderzoek – ook in breder verband dan alleen shockschadevorderingen – zal inzicht moeten verschaffen in de wijze waarop strafrechters zelf tegen deze problematiek en hun eigen rol en mogelijkheden hierin aankijken.

Bron: 
TVP 2015, afl. 4, p. 87-96