De Hoge Raad en artikel 6:170 BW: een wissel op de toekomst? HR 14 juli 2017, ECLI:NL:2017:1345, RvdW 2017/863, JAR 2017/129 (JMV Spoorveiligheid-Zürich)

Mr. R. Meelker
Het in de titel genoemde arrest gaat niet over een personenschadeclaim, maar is voor de personenschadepraktijk wel een vermeldenswaardig arrest, omdat sprake is van een uitleen-inleenconstructie. Daarin wordt een ondergeschikte van de uitlener een fout verweten waardoor een derde schade lijdt. Art. 6:170 BW kwam hier nadrukkelijk in beeld, terwijl ook contractuele bepalingen waren ingeroepen.
Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad nog eens van oordeel te zijn dat aan het vereiste functionele verband van art. 6:170 BW al gauw is voldaan. Zoals A-G Hartlief in zijn conclusie heeft laten zien, is sprake van een ruime uitleg. Het ondergeschiktheidsvereiste wordt zowel in de literatuur als in de rechtspraak ruim uitgelegd, aldus Hartlief. Hij constateert dat dit ook geldt voor de kansvergroting op schade door een fout bij de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden. Zelfs ‘opgedragen werkzaamheden’ zijn in dit opzicht onderhevig aan een ruime uitleg, zoals HR 9 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7557 (Groot Kievitsdal) leert. Alleen als de werkgever geen enkele zeggenschap heeft over gedragingen van de werknemer, kan de werkgever aan de ruime uitleg ontsnappen.
De uitleg is dermate ruim geworden dat het de vraag is of hier nog wel sprake is van criteria waarop aansprakelijkheid van een werkgever voor een als onrechtmatige daad te kwalificeren fout van een werknemer kan afstuiten. In ieder geval is de conclusie op zijn plaats dat de Hoge Raad op dit onderdeel een duidelijke en consistente lijn aanhoudt. Dat is op zichzelf voor de rechtspraktijk erg plezierig. De Hoge Raad heeft hiermee wederom piketpalen geslagen. Het is daardoor goed mogelijk op dit onderdeel de rechtspositie in te schatten.
Interessanter is volgens de auteur de instructie van de Hoge Raad aan de rechter voor de beoordeling van de aansprakelijkheid. De opdracht van de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 aan de rechter is duidelijk: hoewel de werkgever partij is in een civiele procedure ex art. 6:170 BW, moet de rechter de aanspraak beoordelen alsof deze tegen de werknemer zelf is ingesteld. Op het eerste gezicht geen verrassende overweging. Het gaat om een fout van de werknemer, die moet kunnen worden gekwalificeerd als onrechtmatige daad. Dat bepaalt het beoordelingskader. Het is dus logisch dat de gestelde aansprakelijkheid van een werkgever op die manier moet worden beoordeeld.
Het valt op dat de Hoge Raad hier niet volstaat met die enkele zin waarmee het beoordelingskader wordt gegeven. Integendeel, in r.o. 3.3.3 staat de Hoge Raad met vier deeloverwegingen stil bij het feit dat het gaat om schade die uiteindelijk voor rekening kan komen c.q. voor rekening komt van de werknemer. Hoewel de slotzin negatief is geformuleerd, denkt de auteur dat een beoordeling wordt verlangd die aansluit bij de beschermingsgedachte die ten opzichte van werknemers in relatie tot hun werkgever geldt. Bovendien gaat de Hoge Raad uitdrukkelijk en tamelijk uitgebreid in op de positie van de werknemer zelf, hoewel die dus niet zelf in de procedure is betrokken en in het gevoerde partijdebat dit niet zo naar voren was gekomen. Daarbij vermeldt de Hoge Raad tot tweemaal toe dat gelet op art. 7:661 lid 1 BW de schade slechts voor rekening van de werknemer komt in geval van opzet of bewuste roekeloosheid. Voorts valt op dat in de interne verhouding werkgever-werknemer laatstgenoemde vergaand wordt beschermd. Aan de hand van een arrest van de Hoge Raad wordt dit verduidelijkt.
Uiteraard is de onderlinge verhouding werkgever-werknemer een andere dan die van de derde die schade heeft geleden en deze wil verhalen op de werknemer. Gezien het besproken arrest zal het de auteur niet verbazen indien blijkt dat de drempel voor aansprakelijkheid in de art. 6:170 BW situatie hierdoor hoger ligt dan in het geval waarin die achtergrond er niet is. De toekomst zal het leren.
 

Bron: 
PIV-Bulletin 2018, afl. 1, p. 10-14