Complexe schadevorderingen in het strafproces

J.C.C.M. Claassens
Deze bijdrage gaat in op de positie van slachtoffers van misdrijven die een complexe schadevordering in het strafproces willen indienen. Daartoe wordt eerst een overzicht gegeven van de sinds 1993 verschenen wetgeving hieromtrent, zoals de zogenaamde Wet Terwee, de Wet Aanvulling Spreekrecht uit 2005, de Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces uit 2011 en de implementatie per 1 april 2017 van de Europese slachtofferrichtlijn uit 2012. Aansluitend wordt aandacht besteed aan de onevenredige belasting, de voorschotregeling, de praktische bezwaren van de wetten en de accessoiriteit van de civiele vordering. Getoond wordt dat indien de strafrechter de schadevergoedingsmaatregel oplegt, de betaling via de voorschotregeling weliswaar is gegarandeerd, maar dat ondanks de versterking van de positie van het slachtoffer de civiele vordering accessoir blijft aan de strafzaak. Dit heeft tot gevolg dat complexe vorderingen het risico lopen dat ze geheel of ten dele niet-ontvankelijk worden verklaard. Betoogd wordt dat benadeelde partijen er goed aan doen hun vordering zo nodig te splitsen en zo te presenteren dat een eenvoudige beoordeling mogelijk is. Daarnaast wordt ervoor gepleit om een meer specifieke normering van vergoedingen van letselschade in het strafproces te ontwikkelen wat het mogelijk maakt zulke zaken op bevredigende manier binnen het strafproces af te doen, met het bijbehorende voordeel van de voorschotregeling.

Bron: 
Tijdschrift Letselschade in Praktijk 2017, afl. 4