Alternatieve vergoedingssystemen in personenschadezaken en slachtofferbehoeften

Mr. dr. R. Rijnhout
In de literatuur over het aansprakelijkheidsrecht wordt al lang niet meer alleen stilgestaan bij juridisch-technische vragen. De vraag welke doelen het aansprakelijkheidsrecht dient, en of dit rechtsgebied in feite wel aan die doelen voldoet of kan voldoen, met name in personenschadezaken, is een belangrijk onderwerp van discussie geworden. In welke mate draagt het aansprakelijkheidsrecht bij aan iemands feitelijk herstel, hoe sluit het systeem aan bij de behoeften of verwachtingen van slachtoffers, en wat is de potentie van het rechtsgebied?
Parallel aan deze discussie gaan de laatste jaren (weer) stemmen op over de introductie van mogelijke alternatieve vergoedingssystemen: no-faultsystemen (medische aansprakelijkheid), first-party verzekeringen (zelfrijdende auto, arbeidsongevallen) en bijzondere schadefondsen (uitbreiding Wet tegemoetkoming bij rampen naar personenschade). Hoewel deze systemen onderling verschillen, hebben zij een gemeenschappelijke deler: de schuldvraag of de verantwoordelijkheidsvraag is irrelevant als het over vergoeding gaat. De verschuiving van het financiële risico vindt plaats omdat iemand een bepaald voorval is overkomen. Op dit moment wordt echter per ongevalscategorie gediscussieerd over de manier waarop verschuiving van verantwoordelijkheid (in financiële zin) buiten het aansprakelijkheidsrecht om het beste kan plaatsvinden, zonder daarbij de bredere vraag te stellen of introductie van dergelijke systemen leidt tot een evenwichtig vergoedingssysteem op macroniveau en of het aansprakelijkheidsrecht wellicht geheel of gedeeltelijk verlaten zou moeten worden.
Om de discussie vooruit te brengen is de eerste stap die moet worden gezet het inzichtelijk maken wat eigenlijk al bekend is over de werking van alternatieve vergoedingssystemen. De behoeften en ervaringen van slachtoffers zijn daarbij het uitgangspunt, juist omdat dit een belangrijk punt van discussie is in de literatuur over het aansprakelijkheidsrecht. Als serieus wordt overwogen slachtoffers (van bijvoorbeeld Q-koorts of de bodembeweging in Groningen) anders tegemoet te komen dan via het aansprakelijkheidsrecht, moet worden bedacht of een alternatief vergoedingssysteem eigenlijk wel (beter) tegemoet kan komen aan slachtofferbehoeften. In de bijdrage wordt gestart met een korte inleiding in de theorievorming over slachtofferbehoeften. Vervolgens worden de alternatieve vergoedingssystemen ingeleid door een beschrijving op hoofdlijnen. Daarna volgt de analyse van de bevindingen van deze systemen, welke wordt weergegeven door middel van negen inzichten voor toekomstige alternatieve vergoedingssystemen.
De auteur heeft de volgende negen lessen uit bestaand onderzoek getrokken. Ten eerste kan een slachtoffer een uitkering uit een alternatief systeem ervaren als erkenning, maar onduidelijk is echter onder welke omstandigheden dat het geval is. De tweede les is dat het belangrijk is dat de rechtvaardiging voor compensatie wordt genoemd, maar onbekend is nog welke invloed daarvan uitgaat als de rechtvaardiging wel expliciet wordt benoemd. Slachtoffers die een beroep doen op alternatieve vergoedingssystemen, hebben, ten derde, verschillende behoeften, en ten vierde lijken met name uitleg en retributie belangrijk voor slachtoffers, waarvoor dus ook oog zou moeten zijn in een alternatief vergoedingssysteem. Ten vijfde is het, juist vanwege het bestaan van deze verschillende behoeften, belangrijk dat goed wordt onderzocht hoe het aansprakelijkheidsrecht zich zou moeten verhouden tot een alternatief vergoedingssysteem. De zesde les is dat het aansprakelijkheidsrecht en alternatieve vergoedingssystemen waarschijnlijk worden geconfronteerd met andere dominante behoeften, waarop ingespeeld zou moeten worden. Ten zevende is onbekend hoe belangrijk de hoogte van de vergoeding is voor slachtoffers, maar dat kan belangrijk zijn. Procedurele rechtvaardigheid is, ook in geval van een alternatief vergoedingssysteem, belangrijk: de achtste les is dat hiervoor ook oog moet zijn. Tot slot is de negende les dat tijd op meerdere manieren relevant is voor het slachtoffer, maar tegelijkertijd is ook bekend dat een vlotte afwikkeling wordt gewaardeerd.
Deze inzichten zijn vrij algemeen en doen vragen rijzen, omdat het meeste onderzoek dat is besproken niet gaat over Nederlandse alternatieve vergoedingssystemen en de onderzoeken niet (altijd) representatief zijn. Ook roepen zij gewoonweg vragen op omdat niet alles is onderzocht. Verdieping in factoren die maken dat slachtoffers (al dan niet) tevreden zijn met alternatieve compensatie-systemen is nodig. Vooralsnog ontbreekt die verdieping.
 

Bron: 
NTBR november 2017, afl. 9, p. 277-287