VR 2001/09 Smartengeld. Wijze van begroting. Aard en ernst van het letsel. Maximaal toegekende bedragen.

Een 18-jarige werknemer loopt door een arbeidsongeval blijvend en zeer ernstig letsel op (een motorisch complete dwarslaesie); de functionele invaliditeit wordt gewaardeerd op 96%. Hij vordert een smartengeld van ƒ 300 000. De kantonrechter kent ƒ 200 000 toe, de rechtbank bekrachtigt dit vonnis. De werknemer stelt in cassatie onder meer dat het toegekende bedrag hem slechts toestaat om aan extra activiteiten, ter veraangenaming van het leven, maximaal ƒ 8500 per jaar te besteden, terwijl alleen al de prijs van één tweeweekse winterse vakantie naar een warm land in een rolstoelgeschikte omgeving met twee betaalde begeleiders ruim meer dan ƒ 15 000 bedraagt.De Hoge Raad stelt voorop, dat bij de begroting van de vergoeding van immateriële schade de rechter rekening moet houden met alle omstandigheden, in een geval als het onderhavige in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. De begroting van deze schade kan, in verband met haar feitelijke karakter in cassatie in zoverre niet op haar juistheid worden getoetst. Wel kan in cassatie worden getoetst of de rechter heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, of ter zake van de wijze van begroting.De rechter dient bij zijn begroting tevens te letten op de bedragen die door de Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met inaanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.Geen rechtsregel belet de rechter mede acht te slaan op de ontwikkelingen in andere landen met betrekking tot de toegekende bedragen, zij het dat deze ontwikkelingen niet beslissend kunnen zijn voor de in Nederland toe te kennen bedragen.De door het slachtoffer aan de orde gestelde besteding van het smartengeld kan volgens de Hoge Raad geen verdergaande betekenis hebben, dan dat het ertoe dient om de rechter door middel van een voorbeeld duidelijk te maken dat de ernst van het letsel van de betrokkene mede van invloed zijn op de omvang van de kosten, verbonden aan maatregelen ter veraangenaming van diens leven. Het middel gaat terecht ervan uit dat dit laatste een omstandigheid is, die door de rechter dient te worden meegewogen. De aard van de onderhavige vergoeding brengt echter mee dat deze niet afhankelijk is van de voorgenomen wijze van besteding. De rechter is dan ook niet gehouden in een onderzoek daarvan te treden en behoeft in de motivering van zijn beslissing niet aan te geven op welke wijze en met welk resultaat hij rekening heeft gehouden met een voorbeeld van mogelijke besteding.De rechtbank is ervan uitgegaan dat wat de werknemer is overkomen, ’... behoort tot de groep van meest ernstige gevallen van letsel waarin smartengeld wordt toegekend, passend in de hoogste categorie zoals gehanteerd in de uitgave Smartengeld van Verkeersrecht’. De rechtbank achtte een vergoeding van ƒ 200 000 redelijk en billijk op grond van een vergelijking van enerzijds hetgeen aan smartengeld was toegekend in andere gevallen in dezelfde categorie, en anderzijds datgene wat haar omtrent de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer was gebleken. Deze oordelen geven niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.(Zie ook VR 1999, 80).

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren