VR 2020/44 Hazenslaapjes achter het stuur (deel 2)

Column 17 maart 2020

VR 2020/44

 

Hazenslaapjes achter het stuur (deel 2)

 

Naar aanleiding van de vorige aflevering ontving de redactie een bericht van een lezer, waarvoor grote dank:

‘In aflevering 2 van Verkeersrecht is Fijnslijper kritisch over een vonnis van de Rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2019, waarin een automobilist wordt vrijgesproken van het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Volgens de rechter zou van aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag – en dus van schuld – geen sprake zijn omdat ‘niet méér is komen vast te staan dan dat de verdachte één moment onoplettend is geweest doordat zij in slaap is gevallen’. Fijnslijper ziet over het hoofd dat de rechter zich heeft laten inspireren door HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0544, NJ 2008/440 m.nt. Keijzer, VR 2008/83. De Hoge Raad overwoog in dat arrest: ‘Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de enkele omstandigheid dat de verdachte, toen hij zich vergewiste van mogelijk naderend verkeer, de motorrijdster aan wie hij voorrang diende te verlenen niet heeft gezien hoewel deze voor hem wel zichtbaar moet zijn geweest, niet volgen dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard "aanmerkelijk onoplettend en met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid heeft gereden".’ Dit arrest maakt duidelijk dat een enkel moment van onoplettendheid geen aanmerkelijke schuld oplevert. De vraag is echter of in slaap vallen onder zo’n moment van onoplettendheid valt.’

Dit bericht geeft aanleiding om wat woorden te wijden aan het begrip schuld en de eisen die aan verkeersdeelnemers moeten worden gesteld. Het is onbetwist dat in het dagelijkse wegverkeer verkeersdeelnemers voortdurend oplettend en voorzichtig moeten zijn. In de dynamiek van het verkeer over de weg en de snelheid van verplaatsing met gemotoriseerde voertuigen kunnen ongelukken immers in een klein hoekje schuilen. Hierdoor kan het iedere, ook een doorgaans goed oplettende en voorzichtige bestuurder, zomaar overkomen dat hij van het ene op het andere moment betrokken raakt bij een verkeersongeluk. En dan niet alleen in de hoedanigheid van slachtoffer, maar ook van die van veroorzaker. Dat is slechts een kwestie van pech of noodlot.

Vanwege de feilbaarheid van de mens zijn verkeersfouten, verkeersongevallen en verkeersslachtoffers onontkoombaar. Tegen deze achtergrond is het een begrijpelijk uitgangspunt dat niet iedere verkeersfout met kwalijke gevolgen meebrengt dat de veroorzaker van een ongeval zich ter zake van het verkeersmisdrijf van art. 6 WVW 1994 voor de strafrechter moet verantwoorden. Dit past bij het door Modderman verwoorde klassieke uitgangspunt dat het voor het aannemen van strafrechtelijke schuld onvoldoende is ‘dat men niet zóó nadacht, niet zóóveel wist, niet zóóveel beleid aanwendde als de meest nadenkende, de meest kundige, de meest voorzichtige mensch (culpa levis)’. Nee, het uitgangspunt ‘vereischt dat men minder nadacht, wist, beleidvol was dan de mensch in het algemeen (culpa lata)’ (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, 1881, eerste deel, p. 78). Het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2008 kan men zien als een uitwerking van deze gedachte.

Uit het arrest wordt met wat minder juridische precisie wel afgeleid dat ‘een kort moment van onoplettendheid’ onvoldoende zou zijn voor de verkeersschuld van art. 6 WVW 1994. Een voorbeeld biedt een vonnis van de Rechtbank Gelderland van 1 februari 2019 (parketnr. 05-079282-18, niet gepubliceerd). De verdachte reed met een personenauto over een hem goed bekende rotonde en sloeg af naar rechts. Daarbij diende hij een vrijliggend en voorrangsgerechtigd fietspad te passeren. Zonder uit te kijken reed hij het fietspad op en reed hij tegen een aldaar rijdende fietser aan. Die fietser kwam ongelukkig ten val en overleed kort daarna. De rechtbank meende dat van schuld geen sprake was: ‘Uit het enkele feit dat verdachte een kort moment niet heeft gekeken, kan echter niet volgen dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam verkeersgedrag heeft vertoond in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zo volgt ook uit de jurisprudentie.’ Hoewel de rechtbank dat niet met zoveel woorden heeft gezegd, zal zij met ‘de jurisprudentie’ hebben gedoeld op het arrest van de Hoge Raad uit 2008.

Terecht oordeelde het Hof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep met wat meer juridische precisie anders: ‘Verdachte heeft niet over zijn schouder gekeken en is met onvoldoende aangepaste snelheid de haaientanden gepasseerd en het fietspad overgestoken op het moment dat een voor hem van rechts komende fietsster, ..., dicht was genaderd, .… Dit verkeersgedrag van verdachte levert naar het oordeel van het hof aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid op.’ (Hof Arnhem 11 november 2019, parketnr. 21-000620-19, niet gepubliceerd). Het in het geheel niet uitkijken naar verkeer op het fietspad kan worden aangemerkt als een handelen dat ‘minder ... beleidvol was dan de mensch in het algemeen’ en dus als een vorm van ‘culpa lata’.

Het niet uitkijken als onoplettendheid is niet het ‘kort moment van onoplettendheid’ uit het arrest uit 2008. In dit arrest gaat het namelijk om een heel bijzondere vorm van onoplettendheid. De verdachte in die zaak reed vanaf het terrein van een tankstation de rijbaan op. Bij die manoeuvre deed die bestuurder alles wat een normaal oplettende en voorzichtige verkeersdeelnemer behoort te doen: vrijwel stilstaan voor de haaientanden en naar links over de schouder kijken naar naderend verkeer over de rijbaan. De bestuurder keek wel, maar zag een naderende motorrijder helaas niet. Deze waarnemingsfout, zich manifesterend in een fractie van een seconde, was onvoldoende voor het bewijs van schuld. Dit past bij de Moddermanse gedachte dat ook ‘de meest voorzichtige mensch’ op een willekeurig moment een foutje kan maken en dat die mens dan niet meteen aan de hoogste boom moet worden opgeknoopt.

Het gaat bij het ‘kort moment van onoplettendheid’ dus om een bijzondere categorie waarnemingsfouten, bestaande uit het ‘wel kijken, maar niet zien’ door een bestuurder die voor het overige voldoet aan de eisen die aan een oplettende en voorzichtige bestuurder moeten worden gesteld. Is er sprake van een onoplettendheid over meer dan een ‘kort moment’, dan is dat aan te merken als ‘culpa lata’ en dus voldoende voor schuld in de zin van art. 6 WVW 1994. Zie bijv. HR 16 november 2004, VR 2005/67, waarin een naar rechts afslaande vrachtwagen een fietser overreed. Bij nadering van de aansluiting van het fietspad op de weg, voor het inzetten van de afslaande manoeuvre, had de verdachte al voldoende gelegenheid om zich te vergewissen van de aanwezigheid van de fietser. Ook een waarnemingsfout die gepaard gaat met minder voorzichtig weggedrag is voldoende voor schuld, zo wijst HR 21 april 2009, NJ 2009/209 uit. Een bestuurder van een vrachtwagen moet bij het naderen van een voorrangskruising zijn snelheid aanpassen. ‘Culpa lata’ is aan de orde als hij de kruising met ongepaste snelheid nadert en dan een andere voorrangsgerechtigde verkeersdeelnemer over het hoofd ziet.

Uit het voorgaande laat het antwoord op de vraag van de schrijver van het inleidende bericht zich afleiden. Een hazenslaapje achter het stuur valt moeilijk aan te merken als een waarnemingsfout in de zin van het arrest uit 2008, zodat een uit het in slaap vallen voortvloeiend ongeval aan de aanmerkelijke schuld van de bestuurder kan worden verweten.

 

Fijnslijper