VR 2019/183 Proceskostenvergoeding als verdienmodel

Column 08 november 2019

VR 2019/183

 

Proceskostenvergoeding als verdienmodel

 

Op de deurmat ligt (weer) een envelop met het logo van het CJIB. Kennelijk is er weer ergens een keer iets te hard gereden of een andere verkeersfout gemaakt. De boete bedraagt enkele tientjes. Menigeen neemt morrend zijn verlies en stort het verschuldigde bedrag in de Staatskas. Een beperkt deel van de getroffenen meent dat de boete ten onrechte is opgelegd. Beroep op de officier van justitie en de rechter is de dan te bewandelen weg. Sommigen ervaren een verkeersboete echter per definitie als een daad van opperste onrechtvaardigheid en een aantasting van hun eer en goede naam. Het instellen van beroep is aangewezen. Voor de daarbij behorende werkzaamheden wordt het eerste het beste bureautje ingehuurd dat op internet voorbij komt als de zoekterm 'verkeersboete' wordt ingevoerd. Dat bureautje neemt dan als 'gemachtigde' de beroepsprocedure voor zijn rekening.

Volgens de websites van die bureautjes is de in de beroepsprocedure van de WAHV te verlenen ‘rechtshulp’ in beginsel gratis. No cure, no pay, zo wordt gezegd. Als dit echt de basis van het verdienmodel van deze bureautjes zou zijn, dan zou er niet heel veel meer dan droog brood te verdienen zijn met het verlenen van ‘rechtshulp’ in WAHV-procedures. Het merendeel van de opgelegde verkeersboetes wordt immers gehandhaafd. Het ligt dus iets subtieler. Dat blijkt bij lezing van de wervend bedoelde teksten op de websites van die bureautjes. Enkele voorbeelden:

- ‘De controle van de boete is gratis. Doorgaans worden onze kosten voor het aanvechten van een boete verrekend met een vergoeding van de overheid’.

- ‘De overheid betaalt onze kosten en voor u is de rechtsbijstand gratis geweest’.

- ‘De vergoeding die wij vragen is altijd gelijk aan het bedrag dat door de overheid wordt vergoed’.

- ‘Wanneer je een boete bij ons indient, verklaar je dat je een eventuele vergoeding van proceskosten aan ons overdraagt. Wanneer wij de boete vervolgens aanvechten, verzoeken we de overheid namens jou om de kosten voor rechtsbijstand te vergoeden’.

Wat wordt gepresenteerd als een ‘vergoeding van de overheid’, is een op basis van art. 13a of art. 20d lid 4 WAHV uit te keren proceskostenvergoeding. De mogelijkheid tot toekenning van zo'n vergoeding is oorspronkelijk bedoeld voor gevallen waarin een verkeersboete ten onrechte blijkt te zijn opgelegd. Het is volstrekt redelijk om in die gevallen de procedurekosten van de burger te vergoeden. In de rechtspraktijk is aan de regeling echter een veel ruimere bij het bestuursrecht aansluitende toepassing gegeven. Als er in de beroepsprocedure bij de officier van justitie of bij de kantonrechter sprake blijkt te zijn van procedurele tekortkomingen kan dat, ook al blijft de verkeersboete overeind, voldoende aanleiding zijn voor toekenning van een proceskostenvergoeding (vgl. Hof Leeuwarden 17 maart 2010, VR 2010/92).

Die ruimhartige toepassing heeft perverse effecten. De bureautjes die in WAHV-procedures als ‘gemachtigde’ optreden, hanteren namelijk een werkwijze waarbij zij de procedurele tekortkomingen waarvoor een vergoeding wordt uitgekeerd zelf kunnen creëren. Een aan de praktijk ontleend voorbeeld van een gang van zaken: door de ‘gemachtigde’ wordt beroep ingesteld tegen een opgelegde verkeersboete. Het beroepschrift is van een standaardmodel, waarin de meest uiteenlopende beroepsgronden worden aangevoerd, maar waarvan het merendeel nergens op slaat. Op een bericht van het Openbaar Ministerie met de vraag of de betrokkene wenst te worden gehoord, wordt niet gereageerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Vervolgens wordt beroep bij de kantonrechter ingesteld. Het beroepschrift bevat geen beroepsgronden. Op de verzuimbrief met het verzoek om de beroepsgronden aan te vullen, wordt niet gereageerd. De kantonrechter verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Vervolgens in hoger beroep ontkent de gemachtigde de ontvangst van de berichten over het horen en de aanvulling van beroepsgronden. Dat is procedureel voldoende aanleiding voor vernietiging van de beslissingen van de officier van justitie en de kantonrechter. Hoewel de verkeersboete wordt gehandhaafd, wordt toch een proceskostenvergoeding toegekend voor het beroep bij de officier van justitie en de kantonrechter.

De laatste jaren is het aantal beroepen tegen de oplegging van verkeersboetes enorm gestegen. De stapels af te handelen beroepen bij het Openbaar Ministerie, de kantonrechters en het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, worden steeds hoger. In belangrijke mate blijken de bureautjes die de rol van ‘gemachtigde’ op zich willen nemen hiervoor verantwoordelijk te zijn. De kans is groot dat de stijgende lijn nu weer verandert in een dalende lijn, want het hof heeft in een recente beslissing het verdienmodel van die bureautjes de nek om gedraaid. In een arrest van 1 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3197 (opgenomen in deze aflevering onder nummer VR 2019/185) heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden zijn jurisprudentie ‘heroverwogen’, in die zin dat voortaan alleen nog maar een proceskostenvergoeding wordt toegekend als de beslissing tot oplegging van een verkeersboete wordt vernietigd. Dit betekent dat de websites van de verschillende bureautjes op zwart kunnen, want met ‘no cure, no pay’ valt er met het queruleren in de WAHV-procedure niets meer te verdienen.

Om onduidelijke redenen wordt overwogen om de recente beslissing van het Hof Arnhem-Leeuwarden in het belang der wet voor te leggen aan de Hoge Raad. Het is te hopen dat de Hoge Raad oog heeft voor de perverse effecten van een ruime toepassing van de regeling inzake de vergoeding van proceskosten en de beslissing van het hof in stand laat.

 

Fijnslijper

 

buitengerechtelijke kosten, Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, proceskosten,