VR 2018/158 Gebundelde krachten zijn nodig voor een zorgvuldige introductie van nieuwe Wet vergoeding affectieschade

VR 2018/158

 

Gebundelde krachten zijn nodig voor een zorgvuldige introductie van nieuwe Wet vergoeding affectieschade

 

Marjoleine van der Zwan MSc MBA *

* Algemeen directeur van de Stichting PIV (Personenschade Instituut van Verzekeraars).

 

De wijze waarop wij als verzekeraars de Wet vergoeding affectieschade in de praktijk ten uitvoer gaan brengen, vraagt behoorlijk wat energie.1) De puzzels die de wet meebrengt en de ruimte die er is voor verschillende interpretaties van begrippen in de wet, maken immers dat de introductie geen sinecure is. Lindenbergh noemde het zelfs ‘de meest spectaculaire en meest bediscussieerde stappen die aangaande het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht zijn genomen na de invoering van het nieuw BW in 1992’.2)

Verzekeraars blij zijn met de komst van de Wet vergoeding affectieschade. Ze hebben met verschillende partijen – met name Slachtofferhulp Nederland, het Schadefonds Geweldsmisdrijven, het Waarborgfonds Motorverkeer, de Vrije Universiteit Amsterdam, de Erasmus School of Law, het NIVRE en het Verbond van Verzekeraars – de handen ineengeslagen om met elkaar naar een zorgvuldige invoering van deze wet te streven. En dat sluit dan perfect aan bij de drijfveren en de ambitie van het Personenschade Instituut van Verzekeraars (PIV).

 

Goede landing van de wet

Wat is dan die ambitie van het PIV? Die ambitie is dat wij samen met onze deelnemers, dus de verzekeraars en hun ketenpartners, het leed voor slachtoffers en hun naasten zo veel mogelijk willen beperken. Zij hebben het immers al moeilijk genoeg. Voor alle betrokkenen is het beter wanneer slachtoffers en hun naasten zo snel en zo goed mogelijk worden geholpen. Uiteindelijk lukt dat alleen wanneer alle betrokken partijen hun krachten bundelen en hun kennis en expertise met elkaar delen. Het PIV streeft er met haar deelnemende verzekeraars en bijzondere deelnemers, de expertisebureaus en 'huisadvocaten' daarom naar deze wet goed te laten landen en op een zorgvuldige wijze het beoogde positieve effect, het recht doen aan slachtoffers, naasten en nabestaanden, ervan te bereiken.

Dit streven gaat met nogal wat vraagstukken gepaard. Daarom zijn er in de aanloop naar de invoering van de wet per 1 januari 2019 zo’n vijfentwintig personen bij verzekeraars en ketenpartners aan het werk in een aantal werkgroepen, om die invoering in goede banen te leiden. Vanzelfsprekend doen we dat niet als verzekeraars alleen, maar proberen we de expertise en ervaring van de partijen in het veld die ik hierboven al heb genoemd, zo goed mogelijk te benutten. We hebben bijvoorbeeld brede brainstormsessies gehad waaraan ook Slachtofferhulp Nederland, het Schadefonds Geweldsmisdrijven, het Waarborgfonds Motorverkeer en de universiteiten hun bijdragen hebben geleverd. Gezamenlijk is bekeken wat de wet inhoudt, voor wie die bedoeld is, welke vragen de wet doet rijzen, op welke wijze we de wet moeten uitvoeren en hoe we dat met elkaar gaan organiseren. Wat mij betreft zit de kracht van ons werk daarin dat we in dit traject echt gezamenlijk optrekken.

 

Financiering

In dit traject is natuurlijk ook de financiering aan de orde gekomen. Verzekeraars moeten deze vergoeding van affectieschade immers al in de premies voor 2019 verwerken en ze moeten daar een voorziening voor treffen. Die benadering van de maat en het getal wil ik hier graag toelichten. Zou ik dat niet doen, dan zouden er ongetwijfeld vragen naar komen. Wel zeg ik er met nadruk bij dat onze verwachtingen de uitkomst zijn van een eerste exercitie. Het gaat echt om een benadering.

Wij schatten in dat de naasten en nabestaanden van 860 slachtoffers per jaar met de Wet vergoeding affectieschade te maken gaan krijgen De kring van gerechtigden zal naar analyse van onze financiële commissie PIV uit gemiddeld 4,5 naasten of nabestaanden per slachtoffer bestaan, dus in totaal zo’n 3.900 mensen. Met uitkeringen tussen de minimaal € 12.500 en maximaal € 20.000 gaat het dan om een schadevergoeding per jaar van naar schatting zo’n € 60 miljoen.3) We zullen dit in de praktijk moeten gaan volgen. Verzekeraars zullen in hun betalingssystemen een kenmerk meenemen om over vijf jaar te kunnen berekenen wat de gemiddelde vergoeding per jaar is geworden. Daarbij is het overigens de vraag of die gemiddelde vergoeding voor iedere verzekeraar gelijk is. Mogelijk krijgen verzekeraars van medische aansprakelijkheid veel hogere stijgingspercentages te verwerken dan met name de verkeersverzekeraars. Ik kom daar later nog op terug.

 

Maatwerk

Bij het ten uitvoer brengen van de Wet vergoeding affectieschade zullen zich tal van vragen voordoen. Om te beginnen is het de vraag hoe met inhoudelijke definitiekwesties moet worden omgegaan. Wat dient bijvoorbeeld te worden verstaan onder ‘ernstig en blijvend letsel’? Het is duidelijk dat het daarbij om zéér ernstig letsel moet gaan, waarbij sprake is van minimaal 70% functionele invaliditeit als gevolg van bijvoorbeeld een hoge dwarslaesie, ernstig traumatisch hersenletsel of algehele blindheid, maar in de parlementaire toelichting is ook sprake van ‘andere zeer ernstige letsels die blijvend invloed op de relatie hebben’ en ‘zeer ernstig en blijvend medisch objectiveerbaar psychisch letsel’. Momenteel buigt een werkgroep van deskundigen zich over de vraag hoe verzekeraars dit per 1 januari 2019 moeten gaan beoordelen. Nog zo’n inhoudelijke definitiekwestie betreft de vraag wie er onder het nieuwe art. 6:107 lid 2 sub g en 6:108 lid 4 sub g BW vallen, de overige nauwe persoonlijke relaties. Voor schadebehandelaars zal het niet eenvoudig zijn om de kwaliteit van relaties tussen personen te moeten beoordelen. Daar komt heel wat bij kijken.

Een andere vraag die in de praktijk zal moeten worden beantwoord is hoe verzekeraars zorgvuldig met het benaderen van naasten en nabestaanden kunnen omgaan. We zullen wat dat betreft de juiste keuzes moeten maken voor de manier waarop (door middel van een brief of in een persoonlijk gesprek) en ook voor het moment waarop (niet te snel maar ook weer niet te laat). Belangrijk is dat we op dit punt maatwerk leveren en naasten en nabestaanden keuzevrijheid geven. Gelukkig is veel te leren van onder meer het onderzoek van Akkermans c.s. naar de ervaringen hiermee in België.4) In het verlengde daarvan zal contact worden gelegd met collega’s in Duitsland en België, om te leren hoe men het daar doet. Een opmerkelijke uitkomst van het onderzoek van Akkermans is onder meer dat 18% van de respondenten niet positief tegenover een vergoeding van affectieschade staat en 5% zelfs nadrukkelijk negatief. Hoe moeten verzekeraars daarmee omgaan? Daarnaast valt lering te trekken uit de ervaringen van onder meer Slachtofferhulp Nederland en het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Bijzonder is in dit verband dat de kring van gerechtigden zoals die in de Wet vergoeding affectieschade is bepaald, niet gelijk is aan de kring van gerechtigden die door het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt gehanteerd. Voorkomen moet worden dat dit tot onduidelijke situaties leidt en er moet voor worden gezorgd dat de twee stelsels van vergoedingen goed op elkaar aansluiten. Van belang is dat gerechtigden goed verwezen worden naar de mogelijkheden die er voor hen beschikbaar zijn.

Nog een vraagstuk is hoe verzekeraars met de verschillen moeten omgaan in de gevolgen van de Wet vergoeding affectieschade voor verzekeraars van WAM- en AVP-zaken enerzijds en van beroepsziekten en medische aansprakelijkheid anderzijds. In de wet wordt daar geen onderscheid in gemaakt, terwijl er toch sprake is van maatwerk. Immers, hoe eenvoudiger de aansprakelijkheids- en causaliteitsvraag is, hoe minder discussie er zal zijn. Met name in medische aansprakelijkheidszaken, waarbij eerst de aansprakelijkheidsvraag moet worden beantwoord en vervolgens naar de causaliteit wordt gekeken, moet een ander proces worden ingericht. Het gaat hierbij wel om serieus aantal betrokkenen.

Waar een op geld gewaardeerde vergoeding gering is, heeft dat twee effecten. Vanuit een financieel perspectief is het in de eerste plaats niet beslist noodzakelijk om een claim in te dienen en is het in de tweede plaats weinig zinvol om een aansprakelijkheids- of causaliteitsdiscussie te voeren. Worden er toch dergelijke claims ingediend, dan blijken die vaak verrassend vlot en soepel te kunnen worden geregeld. Het is de vraag of dat straks na de invoering van de Wet vergoeding affectieschade nog steeds het geval zal zijn. De omvang van de vergoeding bij medische aansprakelijkheid en beroepsziekten neemt door de wet fors toe. Daar waar de schade tot nu toe tot begrafeniskosten beperkt bleef, kunnen na 1 januari 2019 gemiddeld 4,5 gerechtigden aanspraak maken op een vergoeding en kan de schade als gevolg daarvan vertienvoudigen en tot zo’n € 85.000 oplopen. Welk effect dit op de toestroom van het aantal claims zal hebben, is ongewis. De invoering van de Wet vergoeding affectieschade zal dus voor de ene verzekeraar een heel andere betekenis hebben dan voor de andere verzekeraar. We zullen dat goed moeten monitoren, zodat we over vijf jaar kunnen beoordelen welke effecten de wet heeft gehad.

 

In harmonie met betrokken partijen

Dit alles resumerend is het van groot belang dat we de Wet vergoeding affectieschade per 1 januari 2019 zorgvuldig gaan implementeren. De verzekeraars zijn al ver gevorderd, er zijn veel professionals bij betrokken, er zit veel energie in de diverse werkgroepen en alle neuzen staan dezelfde kant op. Voor ons staat voorop dat we geschillen en procedures zo veel mogelijk willen voorkomen, omdat die niet in het belang van slachtoffers, naasten, nabestaanden en verzekeraars zijn. Ons gaat het erom zaken zo zorgvuldig mogelijk en in harmonie met betrokken partijen af te wikkelen. Wat dat betreft roep ik een ieder op hierbij samen met ons op te trekken.

 

1. Wet van 11 april 2018 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht teneinde de vergoeding van affectieschade mogelijk te maken en het verhaal daarvan alsmede het verhaal van verplaatste schade door derden in het strafproces te bevorderen (Stb. 2018, 132).

2. Symposium ‘De wet affectieschade’; Erasmus School of Law en Vrije Universiteit Amsterdam i.s.m. Verkeersrecht, gehouden op 20 september 2018.

3. Bron: PIV Letselschade Statistiek (LSS) 2018.

4. Affectieschade, slachtoffers en aansprakelijkheid, Een onderzoek naar behoeften, verwachtingen en ervaringen van slachtoffers en hun naasten met betrekking tot het civiele aansprakelijkheidsrecht, Amsterdam Centre for Comprehensive Law, Vrije Universiteit Amsterdam, Boom Lemma uitgevers: Den Haag, 2015.

 

aansprakelijkheid, affectieschade, schadevergoeding, smartengeld, verzekeraar,