VR 2021/29 Bestraffing van zware verkeersmisdrijven in België

VR 2021/29

 

Bestraffing van zware verkeersmisdrijven in België

 

Luc Brewaeys *

* Rechter in de politierechtbank te Vilvoorde.

 

1. Inleiding

De straffen die in België van toepassing zijn voor verkeersmisdrijven, staan opgenomen in de Wet betreffende de politie over het wegverkeer, afgekort WPW.1)

Met de bedoeling de verkeersveiligheid te verbeteren en het aantal verkeersdoden terug te dringen, werden de straffen op zware verkeersmisdrijven aanzienlijk verzwaard. Dit gebeurde door de wetten van 9 maart 20142) en 6 maart 20183). In deze bijdrage zullen de belangrijkste onderdelen van deze twee wetten worden besproken.

De wet van 9 maart 2014 heeft in artikel 38, § 6 WPW4) een bijzonder herhalingsregime voor zware verkeersmisdrijven ingevoerd.5) Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 9 maart 2014 volgt dat de wetgever, teneinde het aantal verkeersslachtoffers te verminderen, maatregelen heeft willen nemen die een impact op lange termijn hebben en met name de herhaling bij overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer strenger heeft willen bestraffen.6) De wetgever hoopt op de eerste plaats dat strengere straffen zullen leiden tot een gedragswijziging van de weggebruikers. Op de tweede plaats beoogde de wetgever ook een strenger repressief optreden. Door het verhogen van het minimaal rijverbod dat moet worden uitgesproken en door het verplicht maken van een aantal herstelonderzoeken7) die moeten worden opgelegd, heeft de wetswijziging ook daadwerkelijk geleid tot een strengere bestraffing van zware verkeersmisdrijven, zeker wanneer er sprake is van herhaling.

In de memorie van toelichting bij de wet van 6 maart 20188) wordt verwezen naar de Staten-Generaal van de Verkeersveiligheid 2015 waar de doelstelling om het aantal verkeersdoden drastisch te verminderen, werd bevestigd. Daartoe werd een aantal maatregelen naar voren geschoven, waaronder:

-             Het verplichten van het alcoholslot voor recidivisten;

-             Een strengere aanpak voor recidive en de zwaarste verkeersmisdrijven, zoals het rijden zonder rijbewijs en het vluchtmisdrijf met doden;

-             De vermindering van de straffeloosheid door een verscherping van de aansprakelijkheid van de houder van de kentekenplaat. De houder van de kentekenplaat wordt voortaan vermoed de overtreding te hebben begaan en is ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.

 

2. Overtredingen van de bepalingen betreffende het rijbewijs en de leervergunning

De verkeersmisdrijven die verband houden met de rijbewijswetgeving en die staan opgesomd in artikel 30, § 1 WPW9), worden voortaan strenger bestraft. De rechter krijgt de mogelijkheid om een gevangenisstraf uit te spreken van acht dagen tot twee jaar en een geldboete van 200 euro tot 2.000 euro, of één van deze straffen alleen.

Volgens art. 30, § 1, 2° WPW wordt ook strafbaar degene die een motorvoertuig bestuurt zonder de voorwaarden of de beperkingen, vermeld op het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, onder meer in de vorm van codes, na te leven, onverminderd de toepassing van eventuele specifieke bepalingen vervat in deze wet. Deze aanvulling was wenselijk. Tot nu toe werden bestuurders die de voorwaarden vermeld op hun rijbewijs niet naleefden, met enige creativiteit, vervolgd op grond van een inbreuk op art. 30, § 1, 1° of 4° WPW. Voorbeelden van codes op een rijbewijs zijn de volgende: verplicht dragen van een bril; verboden om ’s nachts te rijden; totaal verbod op alcohol; enkel rijden met aangepast voertuig; enz.10)

De maximale gevangenisstraf voor degene die een motorvoertuig bestuurt of een bestuurder begeleidt met het oog op scholing terwijl zijn rijbewijs of het als zodanig geldende bewijs dat vereist is voor het besturen van dat voertuig of voor het begeleiden met het oog op scholing met toepassing van artikel 55 onmiddellijk is ingetrokken of terwijl de onmiddellijke intrekking met toepassing van artikel 55bis is verlengd, wordt verhoogd van één naar twee jaar.11)

De gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld bij herhaling van de bepalingen van art. 30, § 1, § 2 of § 3 WPW, binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis met toepassing van een van deze bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan.12)

 

3. Vluchtmisdrijf

De straffen van toepassing bij het plegen van een vluchtmisdrijf staan opgenomen in artikel 33 WPW.

Met gevangenisstraf van 15 dagen tot 6 maanden en met geldboete van 200 euro tot 2.000 euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft:

1°  elke bestuurder van een voertuig of van een dier die, wetend dat dit voertuig of dit dier oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval13) op een openbare plaats is geweest;

2°  hij die wetend dat hij zelf oorzaak van, dan wel aanleiding tot een verkeersongeval op een openbare plaats is geweest, de vlucht neemt om zich aan de dienstige vaststellingen te onttrekken, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is.

Een vluchtmisdrijf kan niet alleen worden gepleegd door een bestuurder van een voertuig, doch ook door elke weggebruiker, dus ook door een voetganger. Om een vluchtmisdrijf te kunnen plegen moet de betrokkene er zich van bewust zijn dat hij in een ongeval betrokken was. Volgens de wet kan een weggebruiker zich onttrekken aan de dienstige vaststellingen, zelfs wanneer het ongeval niet aan zijn schuld te wijten is. De in de wet gebruikte woorden “oorzaak en aanleiding” zijn dan ook ruimer dan de begrippen fout en aansprakelijkheid.

De wetgever heeft geopteerd voor een strengere bestraffing van vluchtmisdrijven gepleegd na een verkeersongeval waarbij slagen of verwondingen werden toegebracht of die geleid hebben tot het overlijden van het slachtoffer:

-     Heeft het ongeval voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van 15 dagen tot 3 jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.14)

-     Heeft het ongeval voor een ander de dood tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van 15 dagen tot 4 jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.15)

In beide gevallen dient het herstel van het recht tot sturen afhankelijk te worden gemaakt van het slagen voor het theoretisch examen, het praktisch examen en het psychologisch onderzoek bedoeld in art. 38 § 3, eerste lid.16) 17)

De maximale gevangenisstraffen die in geval van herhaling kunnen uitgesproken worden, werden in aanzienlijke mate verhoogd:

-     Met een gevangenisstraf van 1 maand tot 4 jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van deze straffen alleen, wordt hij gestraft die, na een veroordeling met toepassing van artikel 33, § 1 of 33, § 2 binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan een van de bepalingen van artikel 33, § 1 overtreedt.18)

-     Hij die, na een veroordeling met toepassing van artikel 33, § 1, of 33, § 2, binnen de drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan artikel 33, § 2 overtreedt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van 1 maand tot 8 jaar en met een geldboete van 800 tot 10.000 euro, of met een van deze straffen alleen.19)

 

4. Alcohol in het verkeer

4.1.     Algemene strafbepalingen

Professionele chauffeurs die een voertuig besturen met een alcoholgehalte van ten minste 0.09 mg en minder dan 0,35 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht en de andere bestuurders van wie de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 mg en minder dan 0,35 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht meet, zullen eerst vanwege het openbaar ministerie een minnelijke schikking aangeboden krijgen. Indien die minnelijke schikking niet wordt betaald, riskeren deze bestuurders om door de rechtbank te worden veroordeeld tot een geldboete van 25 euro tot 500 euro. De rechter kan eveneens een rijverbod uitspreken voor een minimale termijn van 8 dagen.20) Bij specifieke herhaling worden de straffen verdubbeld.

Voor deze wetswijzing gold voor professionele chauffeurs dezelfde limiet van alcoholgehalte als voor andere bestuurders van voertuigen.

Vanaf een alcoholgehalte van 0,35 mg per liter uitgeademde alveolaire lucht of bij de weigering om een ademtest te ondergaan, kan de rechter een geldboete opleggen van 200 euro tot maximaal 2.000 euro. De rechtbank kan eveneens een rijverbod opleggen van minimaal 8 dagen.21)

Indien een bestuurder in staat van dronkenschap22) verkeert, kan een geldboete worden uitgesproken van 200 euro tot 2.000 euro. De rechter is bovendien verplicht een rijverbod op te leggen van minimaal 1 maand.23) De verplichting om het herstel in het recht een motorvoertuig te besturen afhankelijk te maken van het slagen voor het medisch en psychologisch onderzoek, werd afgeschaft door de wet van 6 maart 2018.

Bij specifieke herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis met toepassing van art. 34, § 224) of 3525) WPW, dat in kracht van gewijsde is gegaan, worden de geldboeten verdubbeld, waarbij de rechter eveneens de mogelijkheid heeft een gevangenisstraf uit te spreken van 1 maand tot 2 jaar.26)

4.2.     Alcoholslot

In de strijd tegen het gebruik van alcohol in het verkeer, schakelt de wetgever een versnelling hoger.

In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 3627), kan de rechter voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma.28) Het opleggen van een alcoholslot is niet mogelijk indien de rechter een definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of de overtreder lichamelijk of geestelijk ongeschikt verklaart om een motorvoertuig te besturen.

Het doel van een alcoholslot is te komen tot een verandering van het gedrag bij alcoholgebruik en rijden. Het omkaderingsprogramma start met een opleiding over de voorwaarden die een bestuurder moet respecteren en wordt het gebruik van het alcoholslottoestel uitgelegd. Daarnaast vinden op regelmatige tijdstippen gesprekken plaats, waarin de gegevens worden besproken die in het toestel bewaard en uitgelezen zijn. De bestuurder zal aangesproken worden op de eventuele afwijkingen en overtredingen die zij/hij beging. Zes maanden na de start van het programma volgt de bestuurder een vorming in groep. Hier worden de ervaringen met het gebruik van het toestel en het gescheiden houden van rijden en drinken gedeeld, ook na verwijdering van het toestel in de toekomst. Indien het programma goed doorlopen werd, volgt op het einde een afrondingsgesprek.

Deze mogelijkheid had de rechter reeds volgens het bestaande artikel 37/1 WPW. Naast deze facultatieve mogelijkheid om een alcoholslot op te leggen, legt de wet thans de rechter de verplichting op om in de hiernavolgende gevallen de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot:

1.   In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, verplicht de wet de rechter om de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder te beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid. De rechter die evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, moet dit uitdrukkelijk motiveren.

2.   In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 3629), indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6.30) Bij herhaling kan de rechter niet afwijken van deze verplichting.

Artikel 37/1, § 2 WPW bepaalt evenwel dat de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën kan aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig § 1. De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan.

De voorbereidende werken van de wet geven volgend voorbeeld: “te denken valt aan een buschauffeur die, indien hij zou worden veroordeeld tot een veralgemeend alcoholslot, zijn job dreigt te verliezen".31)

Uiteraard zijn er heel veel bestuurders die voor de uitoefening van hun professionele activiteiten een rijbewijs B nodig hebben. Bij herhaling van een alcoholgerelateerd verkeersmisdrijf, begaan met een motorvoertuig waarvoor een rijbewijs B vereist is, bestaat voor de bestuurder van dat voertuig geen uitzondering.

Het opleggen van een alcoholslot gaat gepaard met belangrijke kosten voor de veroordeelde. Vooreerst is er de kost voor het installeren van het alcoholslot32); op de tweede plaats is er de kost van het omkaderingsprogramma.33)

Om de kosten wat te milderen bepaalt artikel 37/1, § 3 WPW dat de rechter de geldboete kan verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.

Degene die de verplichting kreeg opgelegd om enkel nog een motorvoertuig te mogen besturen uitgerust met een alcoholslot, krijgt op zijn/haar rijbewijs de code 69.

De bestraffing op het niet respecteren van het alcoholslot staat opgenomen in artikel 37/1, § 4 WPW. De bestuurder die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma, wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt. Deze bestraffing is milder dan deze die stond opgenomen in het vroegere artikel 37/1 WPW.34)

De veroordeelde kan er ook voor opteren om geen alcoholslot in zijn motorvoertuig(en) te laten installeren en te kiezen voor andere vervoersmiddelen. Hi/zij beslist dan om geen “bestuurder” te zijn gedurende de periode waarin hem/haar door de rechter een alcoholslot werd opgelegd. Zijn/haar rijbewijs moet hij/zij in dat geval ter griffie afgeven, maar hij/zij gaat dan op de gemeente geen nieuw rijbewijs met de code voor het alcoholslot afhalen. In dat geval is er in de feiten wel sprake van een verval, omdat de persoon niet meer over zijn/haar rijbewijs beschikt, en dit voor de periode dat hij/zij normaliter met een alcoholslot had moeten rijden.

 

5. Drugs in het verkeer

Artikel 37bis WPW bepaalt dat wordt gestraft met een geldboete van 200 euro tot 2.000 euro eenieder die op een openbare plaats een voertuig of een rijdier bestuurt, of een bestuurder begeleidt met het oog op scholing, wanneer de speekselanalyse bedoeld in artikel 62ter, § 1, of de bloedanalyse bedoeld in artikel 63, § 2 de aanwezigheid in het organisme aantoont van minstens een van de in de wet bepaalde stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden35) en waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in artikel 62ter, § 1 WPW, voor de speekselanalyse en in artikel 63, § 2 WPW, voor de bloedanalyse.

De rechter heeft eveneens de mogelijkheid om een rijverbod uit te spreken voor een minimale duur van 8 dagen.

Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft eenieder die, na een veroordeling met toepassing van een bepaling van § 1, of van artikel 34, § 2 of artikel 35 deze bepaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw overtreedt. In geval van een nieuwe herhaling binnen de drie jaar na de tweede veroordeling kunnen de hierboven bepaalde gevangenisstraffen en geldboetes worden verdubbeld.36)

 

6. Bijzonder herhalingsregime bij zware verkeersmisdrijven

De wet van 9 maart 2014 heeft in artikel 38, § 6 WPW37) een bijzonder herhalingsregime ingevoerd bij zware verkeersmisdrijven. Door de wetten van 6 maart 2018 en 2 september 201838) werd de tekst van artikel 38, §6 WPW aangepast, teneinde te verhelpen aan interpretatieproblemen die waren gerezen. Die interpretatieproblemen hadden betrekking op de termijn waarbinnen het nieuwe feit diende begaan te worden na een eerdere veroordeling.

Voor de wet van 9 maart 2014 golden specifieke regels voor herhaling. Er was slechts sprake van wettelijke herhaling indien een beklaagde een soortgelijk verkeersmisdrijf beging. (bijvoorbeeld herhaling bij alcohol- of druggerelateerde verkeersmisdrijven of herhaling bij vluchtmisdrijf). Volgens art. 38, § 6 WPW is er sprake van herhaling zodra een beklaagde, die werd veroordeeld voor een ernstig verkeersmisdrijf (bijvoorbeeld snelheidsovertreding waarvoor een verplicht rijverbod geldt) binnen de drie jaar te rekenen vanaf de dag van de uitspraak van het vorig veroordelend vonnis, opnieuw een verkeersmisdrijf dat staat opgesomd in art. 38, § 6 WPW pleegt, ook als dit van een andere aard is.

De specifieke herhalingsregeling geldt bij volgende verkeersmisdrijven: verkeersovertredingen van de vierde graad39); zware snelheidsovertredingen40); rijden zonder rechtsgeldig rijbewijs; vluchtmisdrijf; alcohol41)- of druggerelateerd verkeersmisdrijf; rijden tijdens een periode van verval van de rijbevoegdheid42) of zonder te hebben voldaan aan de opgelegde herstelonderzoeken; tegenwerken van de vaststellingen; rijden zonder rechtsgeldige verzekering.

Artikel 38, § 6 WPW bepaalt dat de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden moet uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk moet maken van het slagen voor het theoretisch en praktisch examen en het medisch en psychologisch onderzoek, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt.

In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid van art. 38, § 6 WPW, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken.

In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid of derde lid van art. 38, § 6 WPW, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken.

Concreet betekent dit dat een bestuurder na afloop van de periode van het rijverbod, slechts gerechtigd is om opnieuw een motorvoertuig te besturen indien zij/hij geslaagd is voor de opgelegde herstelonderzoeken.

In tegenstelling tot het rijverbod zelf, kan van de tenuitvoerlegging van de herstelonderzoeken geen uitstel verleend worden, zelfs indien het effectieve verval, zoals opgelegd door de rechtbank, zou gedekt worden door de onmiddellijke intrekking van het rijbewijs en de beklaagde bijgevolg geen effectieve straf van verval van het recht tot sturen meer moet ondergaan na het tijdstip van het vonnis waarbij het verval wordt uitgesproken.43) Het rijverbod kan worden uitgesteld overeenkomstig de voorwaarden opgenomen in artikel 41 Wegverkeerswet.44)

Artikel 38 WPW wordt tenslotte aangevuld met een paragraaf 8 waarin wordt bepaald dat de examens en onderzoeken waarvan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk wordt gemaakt, bedoeld in dit artikel, niet van toepassing zijn in de volgende gevallen:

1°  indien de vervallenverklaarde niet voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te kunnen verkrijgen;

2°  wanneer een levenslang verval van het recht tot sturen als straf is uitgesproken.45)

De rechter is niet verplicht om het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uit te spreken en het herstel in het recht tot sturen afhankelijk te maken van examens of onderzoeken, indien de overtreding werd begaan met een voertuig dat niet in aanmerking komt voor de vervallenverklaring.46)

 

7. Lichamelijke en geestelijke ongeschiktheid

Artikel 42 WPW bepaalt nog steeds dat verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.47) Volgens het bestaande artikel 42 WPW kon dit echter enkel naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader. De nieuwe wet breidt die mogelijkheid uit waardoor artikel 42 WPW voortaan ook kan worden toegepast bij een opschorting van straf48) of internering.49)

Nieuw is ook dat de uitspraak van dit verval mogelijk is in elke stand van de procedure, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld. Dit geeft de rechter de mogelijkheid om zelfs bij verzet artikel 42 WPW toe te passen, of zelfs voor de eerste maal in beroep.

De rechtbank dient de duur van het verval niet langer te bepalen. De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen.

Degene die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open. Wordt het verzoek afgewezen, dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken.50)

 

8. Identificatie van de overtreder

De wet van 6 maart 2018 wijzigt de bestaande regels betreffende de aansprakelijkheid van de houder van de kentekenplaat voor de overtredingen die werden begaan met zijn voertuig, wanneer de bestuurder niet werd geïdentificeerd. De wetgever motiveert die aanpassing om reden dat het bestaande systeem al te vaak leidt tot straffeloosheid van de overtreder, waarbij de politie en de parketten bovendien heel wat werk hebben om de identiteit van de overtreder te achterhalen.

Artikel 67bis WPW werd al volgt aangepast: Wanneer een overtreding van de Wegverkeerswet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig.

De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. De houder van de kentekenplaat moet echter voortaan actief optreden: hij is ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.

De kennisgeving van de identiteit van de bestuurder dient te gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de dag waarop de houder van de kentekenplaat kan weerleggen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten.

De politierechtbank van de plaats waar de overtreding, bedoeld in het eerste lid, is gepleegd, is bevoegd.

Zoals thans reeds het geval is voor voertuigen ingeschreven op naam van een rechtspersoon, kan ook de natuurlijk persoon die houder is van de kentekenplaat voortaan worden gestraft indien hij de hem bij wet opgelegde verplichtingen niet nakomt.

In artikel 29ter WPW wordt een tweede lid ingevoegd, luidende:

“Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 4.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, hij die de verplichting bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, tweede zin, niet nakomt. De rechter kan bovendien het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar of levenslang. Deze straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.”

De nieuwe wet heeft ook artikel 67ter WPW als volgt gewijzigd: Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.

Indien de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder meedelen.

De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, is ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.

De politierechtbank van de plaats waar de overtreding werd gepleegd die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van dit artikel, is bevoegd.51)

Wanneer de overtreding evenwel werd begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon die de gebruikelijke bestuurder in de Kruispuntbank Voertuigen heeft laten registreren, wordt de gebruikelijke bestuurder gelijkgesteld met de houder van de kentekenplaat en is artikel 67bis WPW van toepassing.

 

9. Immobilisering en verbeurdverklaring van het voertuig

Volgens het nieuwe art. 50, § 1 WPW52) kan de rechter tijdelijke immobilisering van het voertuig bevelen in alle gevallen waarin tijdelijk verval van het recht tot het besturen van een voertuig als straf wordt uitgesproken. Immobilisering mag voor geen langere duur dan die van het tijdelijk verval van het recht tot sturen worden uitgesproken. Praktisch gebeurt het immobiliseren van het voertuig door het aanbrengen van een wielklem.

Indien het voertuig geen eigendom is van de dader van het misdrijf, kan de rechter de immobilisering van het voertuig slechts bevelen indien de eigenaar van het voertuig veroordeeld wordt voor een overtreding als bedoeld in de artikelen 32, 37, 2°, 37bis, § 1, 3°, of 49 WPW.

Op basis van art. 50, § 2 WPW kan de rechter de verbeurdverklaring van het voertuig bevelen wanneer het verval levenslang is of ten minste drie maanden bedraagt, zo het voertuig eigendom is van de dader van het misdrijf.

Indien het voertuig geen eigendom is van de dader van het misdrijf, kan de rechter niettemin de verbeurdverklaring van het voertuig bevelen indien de eigenaar van het voertuig veroordeeld wordt voor een overtreding zoals bedoeld in de artikelen 32, 37, 2°, 37bis, § 1, 3°, of 49 WPW. Deze bepalingen bestraffen een eigenaar van een motorvoertuig die bewust haar/zijn voertuig toevertrouwt aan een bestuurder die geen houder is van een rechtsgeldig rijbewijs, die duidelijke tekens van strafbare alcoholopname vertoont of die onder invloed van drugs verkeert.

 

10. Besluit

Het opleggen van een lange periode van rijverbod, al dan niet gekoppeld aan herstelonderzoeken53), is in veel gevallen een efficiënt middel om te trachten een ombuiging in het gedrag van een hardleerse bestuurder te bekomen. Het valt echter te betreuren dat art. 38, § 6 WPW54) voor de rechter geen ruimte laat om te beoordelen of het al dan niet opportuun is om al de herstelonderzoeken op te leggen.55)

Het Grondwettelijk Hof aanvaardt echter dat de beoordelingsvrijheid van de rechter in sommige gevallen mag worden beperkt: “Onder voorbehoud dat hij geen maatregel mag nemen die kennelijk onredelijk is, vermag de democratisch verkozen wetgever het strafrechtelijk beleid zelf vast te stellen en aldus de beoordelingsvrijheid van de rechter uit te sluiten"56)

De verplichting om te slagen voor de herstelonderzoeken, beoogt volgens het Grondwettelijk Hof niet de recidiverende bestuurder te bestraffen, maar de maatschappij tegen onverantwoord verkeersgedrag te beschermen. De maatregel die beoogt te waarborgen dat een bestuurder over de vereiste bekwaamheden en kwalificaties beschikt om zich in het verkeer te begeven, is evenredig met de nagestreefde doelstelling en zou niet als een strafmaatregel kunnen worden beschouwd louter vanwege de gestrengheid ervan. Hij houdt dus geen beslissing in over de gegrondheid van een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het EVRM en vormt geen straf in de zin van artikel 15, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.57)

Door de recente wetswijzigingen geeft de wetgever aan dat de toename van zware verkeersmisdrijven en de vaak ermee gepaard gaande ongevallen, verantwoorden dat streng wordt opgetreden tegen weggebruikers bij wie campagnes voor meer verkeersveiligheid of eerder opgelopen veroordelingen geen effect lijken te hebben.

 

1.  Wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, B.S., 27 maart 1968.

2.  B.S. 30 april 2014.

3.  B.S. 15 maart 2018.

4.  Art. 38, § 6 WPW: Behoudens in geval van § 7, moet de rechter het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, na een veroordeling met toepassing van de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, één van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, opnieuw overtreedt.

      In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.

      In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na een veroordeling waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid of dit lid, en die in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.

5.  De Roy, C., Een volgende stap in de strengere aanpak van verkeersovertreders: kritische analyse van de wet van 9 maart 2014, R.W., 2014-2015, nr.1, p. 3 t/m 19; Brewaeys, L., De wet van 9 maart 2014: belangrijke wijzigingen in de verkeerswetgeving, VAV 2014/5, 4-14; Carpentier, F., L’article 38, § 6, de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière: le point deux ans après son entrée en vigueur, VAV 2018, afl. 1, p. 3-9.

6.  Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53-2880/001, p. 3.

7.  Deze herstelonderzoeken zijn de volgende: het opnieuw afleggen van het theoretisch en praktisch examen en het ondergaan van een medisch en psychologisch onderzoek.

8.  Parl.St. Kamer, 2017-2018, DOC 54 2868/001, p. 5.

9.  Art. 30, § 1 WPW: Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 200 euro tot 2.000 euro of met één van deze straffen alleen wordt gestraft hij die:

      1° een motorvoertuig bestuurt zonder houder te zijn van het rijbewijs vereist voor het besturen van dit voertuig, of van het als zodanig geldend bewijs;

      2° een motorvoertuig bestuurt zonder de voorwaarden of de beperkingen, vermeld op het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, onder meer in de vorm van codes, na te leven, onverminderd de toepassing van eventuele specifieke bepalingen vervat in deze wet;

      3° een valse verklaring heeft afgelegd om de afgifte van een rijbewijs of van een als zodanig geldend bewijs te bekomen; in dit geval wordt het verkregen document in beslag genomen en de verbeurdverklaring ervan wordt uitgesproken in geval van veroordeling;

      4° een motorvoertuig bestuurt terwijl hij lijdt aan een van de lichaamsgebreken of aandoeningen, door de Koning bepaald overeenkomstig artikel 23, § 1, 3°, of indien hij niet voldaan heeft aan het geneeskundig onderzoek, door de Koning opgelegd in de gevallen die Hij bepaalt.

10. Volledige lijst van codes is te vinden in het Koninklijk besluit van 14 december 2016 tot omzetting van richtlijn 2015/653/EU van de Commissie van 24 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het rijbewijs.

11. Art. 30, § 3 WPW.

12. Art. 30, § 4 WPW.

13. Voor het begrip "verkeersongeval": Cass. 6 februari 2009, AR C.07.0341.N, Arr.Cass. 2009, 414; NJW 209, 557 + noot Meyns, G.; Pas. 2009, 365, RW 2010-2011, 145; Jungbluth, W., Het begrip verkeersongeval, T.Verz. 2016, afl. 4, p. 458-459; Tanghe, J., Een zoektocht naar de betekenis van het begrip verkeersongeval, RABG 2016, afl. 2, p. 91-99; Brewaeys, L. Het begrip verkeersongeval: Blijvende bron van betwisting, VAV 2013/6, p. 4-25; Boone, I., De grenzen van het begrip verkeersongeval, verschenen in Liber Amicorum Hubert Bocken, Die Keure, 2009, p. 26.

14. Art. 33, § 2, eerste lid WPW.

15. Art. 33, § 2, tweede lid WPW.

16. Art. 33, § 2 , derde lid WPW.

17. Art. 38, § 3 WPW: De rechter kan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor een of meer van de hierna vermelde examens en onderzoeken:

      1° een theoretisch examen;

      2° een praktisch examen;

      3° een geneeskundig onderzoek;

      4° een psychologisch onderzoek;

      5° een specifieke opleiding bepaald door de Koning.

18. Art. 33, § 3, eerste lid WPW.

19. Art. 33, § 3, tweede lid WPW.

20. Art. 34, § 1 en § 3 WPW.

21. Art. 34, § 2 WPW.

22. Staat van dronkenschap is de staat van iemand die wegens het innemen van alcoholische dranken zijn daden niet meer bestendig onder controle heeft. Die staat vereist echter niet dat de betrokkene zich niet meer van zijn daden bewust is.(Cass. (2e k.) AR P.13.0651.F, 25 september 2013, www.cass.be).

23. Art. 35 WPW.

24. Alcoholgehalte vanaf 0,35 uitgeademde alveolaire lucht.

25. Dronkenschap.

26. Art. 36 WPW.

27. Art. 36 WPW: Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft hij die, na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 of artikel 35 of artikel 37bis, § 1, een van deze bepalingen binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan opnieuw overtreedt.

      In geval van nieuwe herhaling binnen drie jaar na de tweede veroordeling, kunnen de hierboven bepaalde gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld

28. De vereiste voorwaarden voor de erkenning als omkaderingsinstelling zijn opgenomen in artikel 4 van het KB van 26 november 2010 betreffende de installatie van het alcoholslot en in het omkaderingsprogramma. De erkenning is niet beperkt in de tijd op voorwaarde dat de omkaderingsinstelling de reglementaire voorschriften respecteert.

29. Herhaling alcohol of dronkenschap.

30. Strengere bestraffing bij herhaling; zie deze bepaling in noot 4.

31. Parl.St.Kamer, 2017-2018, DOC 54 2868/001, p. 4.

32. De kost te betalen aan het dienstencentrum die het alcoholslot installeert varieert naargelang het alcoholslot wordt gehuurd (circa 130 euro per maand + kosten installatie en download) of gekocht (circa 2.500 euro voor één jaar of 3.300 voor twee jaar - degressief in de tijd).

33. De kost te betalen aan de omkaderingsinstelling bedraagt voor één jaar circa 1.210 euro, voor twee jaar circa 1.455 euro, voor drie jaar circa 1.700 enz. Voor meer details bij VIAS Institute: zie http://www.vias.be/nl/particulieren/alcoholslot/wat-is-de-kostprijs-van….

34. Inbreuken op art. 37/1 WPW waren strafbaar met een gevangenisstraf van één maand tot vijf jaar, terwijl de nieuwe wet nu ook geldboetes voorziet.

35. Delta-9-tetrahydrocannabinol (THC) / Amfetamine / Methyleendioxymethylamfetamine (MDMA) / Morfine of 6-acetylmorfine / Cocaïne of benzoylecgonine.

36. Art. 37bis, § 2 WPW.

37. Zie voetnoot 4.

38. B.S. 2 oktober 2018.

39. Overtredingen worden ingedeeld per graad volgens het KB van 30 september 2005. De overtredingen van de vierde graad zijn de volgende:

      1° Het negeren van een stopbevel van een bevoegd persoon:

      2° Het is verboden een bestuurder aan te sporen of uit te dagen overdreven snel te rijden.

      3° Het links inhalen van een gespan of van een voertuig met meer dan twee wielen is verboden bij het naderen van de top van een helling en in bochten, wanneer de zichtbaarheid onvoldoende is, behalve indien kan ingehaald worden zonder de doorlopende witte streep te overschrijden die het voor de tegenliggers bestemde deel van de rijbaan aflijnt.

      4° Het is verboden zich op een overweg te begeven:

      - wanneer de slagbomen in beweging of gesloten zijn;

      - wanneer de rode knipperlichten branden;

      - wanneer het geluidssein werkt.

      5° Op autosnelwegen en autowegen is het verboden:

      - de dwarsverbindingen te gebruiken;

      - te keren;

      - achteruit te rijden of te rijden in de tegenovergestelde rijrichting.

      6° Het is verboden een voertuig te laten stilstaan of te laten parkeren op de overwegen.

      7° Behoudens speciale toelating van de wettelijke gemachtigde overheid zijn verboden op de openbare weg, alle snelheids- en sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of -wedstrijden.

40. Meer dan 30 km/u dan het toegelaten maximum in de bebouwde kom of in een zone 30, of meer dan 40 km/u dan de maximaal toegelaten snelheid op andere wegen.

41. Vanaf minstens 0,35 mg/L uitgeademde alveolaire lucht.

42. Een met de ontzegging van de rijbevoegdheid overeenkomstig art. 179 WVW 1994 overeenkomende bijkomende sanctie.

43. Cass.25 oktober 2006, AR P.06.0549.F.

44. Art. 41. <W 2003-02-07/38, art. 20, 011; Inwerkingtreding: 01-03-2004> In de gevallen waarin de rechter in toepassing van deze wet een verval van het recht tot sturen uitspreekt, moet hij, indien hij gebruik wenst te maken van artikel 8, § 1 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie een effectief gedeelte opleggen van minimum acht dagen.

45. Herstelonderzoeken zijn te beschouwen als beveiligingsmaatregelen. Een beveiligingsmaatregel heeft niet het karakter van een straf; ze gaat niet teniet door de verjaring van de straf of door herstel in eer en rechten: Cass. 8 december 1992, Verkeersrecht 1993, 134; cass.25 mei 1983, Arr.Cass. 1982-83, 1180; Rb.Kortrijk 2 mei 1997, TWVR 1998, 23 + noot Arnou, P. en RW 1998-99, 473 + noot Gelders, M.; Arnou, P. en De Busscher, M., Misdrijven en sancties in de wegverkeerswet, Antwerpen, Kluwer Rechtswetenschappen België, 1999, p. 261; zie ook art. 58 § 2 KB rijbewijs 23 maart 1998.

46. Art. 38, § 7 WPW. Deze bepaling geldt ook voor voetgangers: Grondwettelijk Hof, 4 oktober 2018, Arrest nr. 129/2018.

47. Cass. 9 mei 2017 P.16.0476.N: Wanneer naar aanleiding van een veroordeling wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijke toedoen van de dader, de rechter vaststelt dat de schuldige, houder van een rijbewijs, lijdt aan alcoholverslaving, moet hij het in die wetsbepaling bedoelde verval uitspreken.

48. Vergelijkbaar met de Nederlandse voorwaardelijke veroordeling.

49. Internering wordt bevolen wanneer de dader geestesziek is en niet meer beschikt over het nodige onderscheidingsvermogen. In de praktijk wordt hij/zij dan gedwongen opgenomen in een psychiatrische instelling.

50. Art. 44 WPW.

51. Voor de wetswijziging was de rechter van de plaats waar de mededeling moet worden ontvangen, bevoegd: Cass.22 april 2008, RW 2008-2-09, nr.33, 1383 + noot Arnou, P.

52. Wet 2 september 2018, B.S. 2 oktober 2018.

53. Theoretisch en praktisch examen en medisch en psychologisch onderzoek.

54. Zie voetnoot 4.

55. Traest, Ph. en De Nil, N., Actualia wegverkeersrecht: de wet van 9 maart 2014 tot wijziging van de wegverkeerswet en de toepassing van Antigoon in het wegverkeersrecht, verschenen in Rechtskroniek voor de vrede- en politierechters 2015, Dossier T.Vred. en T.Pol. 23, Die Keure, 2015, p. 72; Brewaeys, L., De wet van 9 maart 2014: belangrijke wijzigingen in de verkeerswetgeving , VAV 2014, afl. 5, p. 11-12.

56. Arbitragehof 18 april 2007, arrest nr. 57/2007, NjW 2007, 458.

57. Grondwettelijk Hof, arrest nr. 88/2016 van 2 juni 2016, B.4.2.

 

inhouding rijbewijs, strafbeschikking, verkeersstrafrecht, rijbevoegdheid, recidive