pag. 173 VR 2003, De grenzen van sport en spel

VRA 2003, p. 173
2003-06-01
Prof. mr C.C. van Dam
Op 28 maart 2003 wees de Hoge Raad twee belangrijke arresten over de aansprakelijkheid voor letsel toegebracht tijdens sport en spel[1] . Hierin geeft hij aanwijzingen voor het antwoord op de vraag wanneer gedragingen nog vallen binnen het kader van sport en spel. Dit is van groot belang, omdat het binnen dat kader toebrengen van letsel minder snel onrechtmatig is dan buiten dat kader.
De grenzen van sport en spel
VRA 2003, p. 173
Prof. mr C.C. van Dam
1
De twee casus
In het eerste arrest (Bottefeart) ging het om een hinderniswedstrijd in Friesland. Hangend aan een katrol moesten de deelnemers naar het midden van de Bottefeart zweven, daar de katrol loslaten, landen op een drijvend plateau en over drijvende platen naar de overkant van het vaarwater lopen, naar een kanosteiger waar zij een bel moesten luiden (waaruit maar weer eens blijkt hoe rijk de fantasie van de homo ludens aan het einde van de twintigste eeuw nog was). De Vries was één van de deelnemers die droog de overkant hadden gehaald. Een dergelijke uitzonderingspositie kon in de Nederlandse gelijkheidscultuur natuurlijk niet al te lang worden getolereerd en twee van zijn vrienden die wel een nat pak hadden gehaald gooiden hem daarom in de Bottefeart. Daar viel hij met zijn linkerbeen op een hard voorwerp dat zich in de modderige bodem van de sloot bevond. Voor de hierdoor opgelopen blijvende schade stelde hij zijn vrienden aansprakelijk. De rechtbank wees de vordering af maar het hof wees haar toe.
In het tweede arrest (Schaatsers) ging het om Broere die tijdens het KNSB-trainingsuur op de ijsbaan te Haarlem onderuit werd gekegeld door een andere schaatser die met hoge snelheid een bocht was ingegaan en daarbij ten val was gekomen. Als gevolg daarvan viel Broere op zijn achterhoofd, raakte hij voor vier dagen in coma en liep hij blijvend letsel op. Broere reed in de buitenbaan, die bestemd was voor uitrijdende schaatsers, terwijl Kegel in de binnenbaan reed, die bestemd was voor schaatsers die met snelheidsoefeningen bezig waren. Broere stelde Kegel voor zijn schade aansprakelijk. De rechtbank wees de vordering af en het hof bekrachtigde dit vonnis.
2
In het kader van de sportbeoefening
In het Bottefeart-arrest stond de vraag centraal of de actie van de vrienden van De Vries om hem in het water te gooien plaatsvond 'in het kader van de sportbeoefening'. In het Natrap-arrest had de Hoge Raad overwogen: 'Uitgangspunt (…) moet zijn dat de vraag of een deelnemer aan een sport als voetballen onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging waardoor aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in het kader van de sportbeoefening zou hebben plaatsgevonden'[2] . De Hoge Raad herhaalt deze zin in beide arresten van 28 maart jl. en merkt vervolgens op: 'De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten'[3] .
Voor het hanteren van een strenge of minder strenge zorgvuldigheidsnorm is dus beslissend of de gedraging al dan niet werd verricht 'in het kader van de sportbeoefening'. In verband met het Bottefeart-arrest zijn met name twee andere arresten van de Hoge Raad van belang.
Ten aanzien van de tennissport heeft de Hoge Raad beslist dat 'in het kader van de sportbeoefening' het spelen niet alleen het spel zelf omvat maar ook het tussen de games door ballen over het net slaan[4] . Deze benadering is in zoverre minder juist, dat bij het overspelen van ballen tussen twee games meer zorg kan worden betracht dan tijdens het spelen van het spel zelf. Weliswaar is ook tussen twee games een misslag op zichzelf niet onrechtmatig maar de kracht waarmee geslagen wordt, behoeft in die gevallen niet hetzelfde te zijn als tijdens het spel.
Een ander belangrijk arrest is in dit verband het Judoworp-arrest. Politieagent Bergmans liep tijdens diensttijd een whiplash op bij een judoles. In feitelijke instanties werd er vanuit gegaan, dat tegenstander De Wijs een schouderworp had ingezet nadat de instructeur het stopcommando had gegeven. De Hoge Raad overwoog: 'Kennelijk heeft het hof de omstandigheid dat De Wijs op dat punt in gebreke is gebleven (…) aangemerkt als een zo zwaarwegende factor dat deze nalatigheid De Wijs moet worden aangerekend als een onrechtmatige daad'. Een belangrijke reden hiervoor was volgens het hof dat de deelnemers na dat commando, anders dan daarvóór, niet langer behoeven te verwachten dat zij op de grond zullen worden geworpen. Op deze grond werd ook het beroep op eigen schuld van Bergmans verworpen, omdat '(…) Bergmans niet erop verdacht behoefde te zijn dat De Wijs de oefening zou voortzetten'[5] .
3
Het Bottefeart-arrest
In het Bottefeart-arrest van het hof kwam de redenering er op neer dat het spel was afgelopen op het moment dat de deelnemer de hindernisbaan had voltooid en de bel had geluid. Vanaf dat moment was het uit met de pret en zou het in het water gooien behoren te worden beoordeeld aan de hand van de gewone (strenge) zorgvuldigheidsmaatstaven. Voor deze gedachtegang viel steun te ontlenen aan het in nr. 2 vermelde Judoworp-arrest. Hier was immers de redenering dat de deelnemer aan een judowedstrijd na een stopcommando niet meer behoeft te verwachten dat hij op de grond zou worden gegooid.
De Hoge Raad volgde echter, mijns inziens terecht, een andere lijn. Nadat hij de regel van de hogere aansprakelijkheidsdrempel tijdens sport en spel voorop had gesteld, overwoog hij (r.o. 3.6): 'Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval'[6] .
Twee aspecten zijn hier cruciaal. In de eerste plaats was het spel in feite niet afgelopen nadat de deelnemer de bel had geluid. Er was namelijk sprake van een soort blessuretijd (in dit geval ook letterlijk) waarin deelnemers (met name de droog overgekomen deelnemers) in het water konden worden gegooid. Ten tweede was De Vries (de benadeelde) van deze 'voortzetting van het spel' op de hoogte en kon hij er dus rekening mee houden. Dat is ook precies het verschil tussen het Judoworp-arrest en het Bottefeart-arrest: bij een judowedstrijd behoeft de deelnemer na het stopsignaal niet meer te verwachten dat er doorgespeeld wordt, bij de hindernisbaan over de Bottefeart kon de deelnemer wel verwachten dat het spel met het luiden van de bel nog niet was gedaan.
De Hoge Raad overwoog voorts dat het feit dat De Vries tegenstribbelde normaal gesproken (dus buiten de sport- en spelsituatie) serieus zou moeten worden genomen (r.o. 3.9), maar nu dit tegenstribbelen plaatsvond in het kader van het spel mochten de vrienden dit als onderdeel van het spel beschouwen en handelden zij op die grond niet onrechtmatig (r.o. 3.10).
Tenslotte had het hof volgens de Hoge Raad terecht tot uitgangspunt gekozen dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden[7] . De Hoge Raad achtte echter ''s hofs oordeel onbegrijpelijk dat de mate van waarschijnlijkheid dat De Vries letsel zou oplopen als gevolg van het feit dat hij door Hettinga en Ypma in het water werd gegooid, zo groot was, dat Hettinga en Ypma zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid hadden moeten onthouden. Het hof had immers bij de motivering van zijn oordeel geen rekening gehouden met het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hadden gewedijverd, hetgeen, zoals hiervoor in r.o. 3.6 is overwogen, van belang is bij de beoordeling van de vraag welke gedragingen De Vries in die situatie in redelijkheid van Hettinga en Ypma moest verwachten'.
Met andere woorden: beslissend is of, gezien de kans op letsel, Hettinga en Ypma zich voldoende zorgvuldig hebben gedragen[8] . Of het in het water gooien nu geschiedt binnen of buiten het kader van sport en spel, in beide gevallen is de kans op letsel even groot. Maar in het kader van sport en spel mag je zekere risico's nemen, indien het in acht nemen van een hoge mate van zorgvuldigheid het spelen van het spel te zeer bemoeilijkt. Men zou hier een soort rechtvaardigingsgrond in kunnen zien maar meer nauwkeurig gaat het om het feit dat de aard van de gedraging (sport en spel) een lagere mate van zorgvuldigheid vereist[9] . Dat is gerechtvaardigd, omdat De Vries een dergelijke gedraging (hem in het water gooien) in redelijkheid kon verwachten.
Kortom: bij sport en spel is het aan de deelnemers om zich te concentreren op de wedstrijd, c.q. te genieten van het spel en zich niet aan onsportiviteiten te buiten te gaan. Het is aan de organisatie om voor een veilig sport- en spelterrein te zorgen. Zie nr. 5.
4
Het Schaatsers-arrest
In het Schaatsers-arrest ging het om de vraag of de ene schaatsenrijder zich voldoende zorgvuldig had gedragen ten opzichte van de andere. Broere stelde dat Kegel meer risico had genomen dan redelijkerwijs verantwoord was door op volle snelheid de bocht in te gaan. Voor de beoordeling van Kegels gedrag is allereerst van belang of zijn gedraging binnen of buiten het kader van de sportbeoefening plaatsvond. Het lijdt geen twijfel dat het eerste het geval was. Om die reden moest worden vastgesteld of Kegel zich binnen dat kader voldoende zorgvuldig had gedragen.
Zoals in nr. 2 is opgemerkt, volgt uit het Natrap-arrest dat er binnen het kader van sport en spel een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel geldt. In het Schaatsers-arrest overwoog de Hoge Raad: 'Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt niet op te gelden doordat - in dit geval - tijdens het KNSB-trainingsuur de ene schaatser doende is uit te rijden, terwijl de andere bezig is met een snelheidsoefening en zij op verschillende, door de KNSB daartoe aangewezen, gedeelten van de baan rijden. Ook dan beïnvloedt het feit dat beide rijders tijdens dat trainingsuur op dezelfde baan schaatsen, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, welke verwachtingen overigens mede afhankelijk zijn van de risico's die aan de schaatssport eigen zijn, het doel van dat trainingsuur en de verdere omstandigheden van het geval'.
Bij schaatsenrijden gaat het niet om een contactsport zoals voetbal, rugby en handbal. Een adequate beoefening van een contactsport is veelal niet mogelijk zonder het nemen van zekere fysieke risico's. Ook bij niet-contactsporten is het echter de vraag of de desbetreffende sport zinvol kan worden beoefend zonder het nemen van fysieke risico's. Kan de tennissport zinvol worden beoefend zonder het nemen van fysieke risico's, bijvoorbeeld doordat tijdens het spel iemand een bal in het gezicht krijgt? Kan de schaatssport zinvol worden beoefend door van schaatsers te verlangen dat zij hun snelheid zodanig matigen dat zij voor anderen op het ijs geen (noemenswaardig) gevaar vormen? Die laatste vraag kan bevestigend worden beantwoord voor de 'pure' recreatiesport, bijvoorbeeld op dichtgevroren grachten en tijdens de gewone recreatie-uren op een kunstijsbaan[10] .
In dit geval ging het echter om een KNSB-trainingsuur dat was bestemd om schaatsers in staat te stellen hun grenzen te verleggen, waarbij zeer hoge snelheden geoorloofd waren. Dit doel was voor alle deelnemers kenbaar. Onder die omstandigheden handelt iemand die zo hard mogelijk schaatst en vervolgens ten val komt niet onrechtmatig. Dit betekent dat in het aansprakelijkheidsrecht voor lief moet worden genomen dat het verleggen van de grenzen van de één (harder kunnen schaatsen) mag leiden tot het verleggen van de grenzen van de ander maar dan in tegenovergestelde richting (niet meer kunnen schaatsen).
De vraag die rest is of de organisatie van het trainingsuur in de omstandigheden van het geval voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Zie nr. 5.
5
Zorgvuldigheidsnorm bij het organiseren van sport en spel
Verplichtingen tot het nemen van voorzorgsmaatregelen rusten niet alleen op de speler maar ook op sportverenigingen of wedstrijdorganisatoren. Het is aan de trainer of de organisator om zodanige omstandigheden te creëren dat de sport of het spel veilig kan worden beoefend, zowel voor deelnemer als toeschouwer[11] .
Een belangrijke illustratie van de verplichting tot bescherming van de sporter door de trainer vormt het Disloque-arrest. Tijdens een training van de turnvereniging 'Oranje Nassau Emmen' viel de 14-jarige Astrid Veenhoven bij het onderdeel disloque uit de ringen, waardoor zij ernstig gewond raakte. Tijdens de training werd de disloque in drie groepen geoefend in aanwezigheid van trainster Hilbrands en een assistent die bij het groepje van Astrid als helper/vanger optrad. De Hoge Raad besliste dat de turnvereniging onvoldoende voorzorgsmaatregelen had genomen om het risico van een val te voorkomen of te verminderen[12] . De voorzorgsmaatregelen behoefden niet zover te gaan dat een val onder alle omstandigheden zou worden voorkomen, ook al omdat daaraan de aard van de oefening in de weg stond. Gezien de ernst van het mogelijke letsel waren echter wel maatregelen mogelijk om het risico te verminderen, bijvoorbeeld door met twee in plaats van één vanger te werken[13] .
In het geval dat leidde tot het Bottefeart-arrest wist de organisatie dat deelnemers tijdens het spel in het water zouden vallen c.q. zouden worden gegooid. Om die reden rustte op de organisatie de plicht om het water te controleren op voorwerpen die bij een val in het water tot letsel konden leiden. Uit het arrest blijkt dat het water ook was gecontroleerd, maar dat dit slechts oppervlakkig was geschied. Het had dus wellicht meer voor de hand gelegen dat De Vries niet zijn vrienden maar de organisatie voor zijn schade zou hebben aangesproken. Dat hij dat niet heeft gedaan lag aan het feit dat hij zelf met de twee vrienden die hem in het water hadden gegooid het organisatiecomité van het festijn vormde (zie cassatiemiddel, nr. 2.5)[14] .
Uit het Schaatsers-arrest kan worden afgeleid dat de organisatie van het KNSB-trainingsuur de activiteiten van de deelnemers aan regels had gebonden, onder andere aan de gedragsregels van de baancommissie van het gewest Noord-Holland/Utrecht. Of deze regels afdoende zijn valt niet met zekerheid te zeggen. Het is bijvoorbeeld de vraag of het aantal toegelaten personen (250) op een dergelijke avond niet aan de hoge kant is. Hoe drukker het is op de ijsbaan, hoe groter de kans op een aanrijding bij een valpartij. Met een geringer aantal deelnemers zou de kans op een ongeval uiteraard blijven bestaan maar deze kans zou dan wellicht tot een aanvaardbaar niveau zijn teruggebracht. Zie voor een soortgelijke redenering inzake het nemen van maatregelen ter vermindering van het risico het zojuist vermelde Disloque-arrest.
6
Tot slot: het zinledige osvo-criterium
In zijn conclusie voor het Bottefeart-arrest breekt P-G Hartkamp een lans voor het gebruik van de terminologie 'ongelukkige samenloop van omstandigheden' (het 'osvo'-criterium): 'Situaties waarin schade is geleden als gevolg van een gedraging die in het kader van de concrete omstandigheden niet als abnormaal, onverwacht en onredelijk kan worden aangemerkt, kunnen worden omschreven als ongelukkige samenloop van omstandigheden. Deze formulering vormt mijns inziens niet een criterium op grond waarvan kan worden vastgesteld of een gedraging wel of niet onrechtmatig is. Wel maakt zij duidelijk welke gedachte schuil gaat achter het oordeel dat de gedraging niet onrechtmatig is. (…). Er is niet sprake van een omstandigheid die in de tussen partijen bestaande verhouding uitzonderlijk is, maar van een samenloop van voor de hand liggende omstandigheden die door toeval tot een ongewenst resultaat leiden. In deze benadering is de formulering 'ongelukkige samenloop van omstandigheden' niet zinledig en heeft zij meerwaarde'[15] .
Het valt op dat de Hoge Raad deze redenering in zijn arresten niet volgt. Dat valt toe te juichen. Blijkbaar heeft hij zich laten overtuigen van de nadelen die kleven aan het gebruik van de zinledige osvo-terminologie[16] .
[1] HR 28 maart 2003, RvdW 2003, 63, VR 2003, 91 (Bottefeart) en HR 28 maart 2003, RvdW 2003, 64, VR 2003, 92 (Schaatsers).
[2] HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622, nt CJHB, VR 1992, 34 (Natrap). In deze zin ook HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621, nt CJHB, VR 1991, 21 (Tennisbal). Zie voor een schouderduw buiten de sportbeoefening HR 20 juni 1986, NJ 1986, 780 (Schouderduw), waarover ook C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nr. 811.
[3] HR 28 maart 2003, RvdW 2003, 63, VR 2003, 91 (Bottefeart) en HR 28 maart 2003, RvdW 2003, 64, VR 2003, 92 (Schaatsers).
[4] HR 19 oktober 1990, NJ 1992, 621, nt CJHB, VR 1991, 21 (Tennisbal).
[5] HR 11 november 1994, NJ 1996, 376, nt CJHB, VR 1995, 97 (Judoworp).
[6] Zie ook Rb. Zwolle 14 november 1990, NJ 1991, 471 (Simonis/Hagen e.a.): eerstejaars niet aansprakelijk voor het gedurende de ontgroeningstijd in de sloot duwen van een ouderejaars, die daardoor aan zijn knie gewond raakte en voor 20% invalide werd.
[7] HR 9 december 1994, NJ 1996, 403, nt CJHB, VR 1995, 98 (Zwiepende tak).
[8] HR 9 december 1994, NJ 1996, 403, nt CJHB, VR 1995, 98 (Zwiepende tak). C.C. van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nr. 801 e.v.
[9] Van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nr. 811.
[10] Dit wil overigens niet zeggen dat iemand die op de gracht of op de kunstijsbaan schaatsend ten val komt en daarmee iemand anders ten val brengt daarmee steeds onzorgvuldig handelt. Bepalend is of de schaatser gezien de omstandigheden van het geval niet te veel risico heeft genomen (te hard heeft gereden).
[11] Zie voor de zorgvuldigheidsplicht van 'sporters' jegens toeschouwers Van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, 2000, nr. 1520.
[12] HR 6 oktober 1995, NJ 1998, 190, nt CJHB, VR 1996, 5 (Disloque). Zie ook Hof Amsterdam 17 juli 1997, VR 1998, 187 (Spelhofen/Timmer-VCO): te eisen voorzorgsmaatregelen bij hoogspringoefening op middelbare school.
[13] Zie uitvoeriger Van Dam, Aansprakelijkheidsrecht, nr. 1519 en voorts Rb. Breda 28 november 1995, NJK 1996, 10 (hoger beroep Hof Den Bosch, 2 juli 1997, VR 1998, 137) (Van Roessel/Katholieke Plattelandsjongeren): op een stormbaan in het kader van een door de KPJ georganiseerde zeskamp dook een 17-jarige deelnemer voorover in een, naar hij wist, 50 cm diepe modderbak en brak zijn nek. De bedoeling was dat deelnemers door de bak zouden lopen maar voordien waren ook anderen de bak ingedoken. De rechtbank overwoog: 'Op het moment dat bleek dat deelnemers de hindernis op deze risicovolle wijze namen, lag het dan ook op de weg van KPJ om in te grijpen. Dit wordt geboden door de zorg die van de kant van de organisatie op dat moment kon worden gevergd'.
[14] Het is overigens wenselijk en inmiddels ook niet meer ongebruikelijk dat, voor zover voor het organiseren van een dergelijke activiteit een vergunningplicht geldt, de vergunningverlener de vergunninghouder verplicht om (onder andere) een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten.
[15] Conclusie voor HR 28 maart 2003, RvdW 2003, 63, VR 2003, 91 (Bottefeart), nr. 16, met verwijzing naar onder meer C.H. Sieburgh, Toerekening van een onrechtmatige daad, 2000, p. 17, J. Hijma, noot bij HR 12 mei 2000, NJ 2001, 300 onder 3.
[16] Zie hierover uitvoerig C.C. van Dam, Het zinledige osvo-'criterium', VRA 2001, p. 139-142.