VR 2019/140 Letselschadezaak tegen verzekeraar; verzoeken gelaedeerdegeen fraude en verwijdering fraudemelding registers niet-ontvankelijk; materiële en immateriële schadevergoeding; kosten rechtsbijstand.

In 2011 is verzoeker betrokken geraakt bij een ongeval. Toen hij op zijn brommer reed, is hij aangereden door een automobilist die uit een oprit kwam. De auto was verzekerd bij ASR. ASR heeft aansprakelijkheid erkend. Verzoeker heeft door het ongeval een beenbreuk opgelopen, waardoor blijvend beenlengteverschil is ontstaan. Verzoeker verzoekt dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat geen sprake is van door verzoeker jegens ASR gepleegde fraude en dat (ii) zij beslist dat ASR, indien zij melding van fraude heeft gedaan dan wel verzoeker heeft geregistreerd in haar eigen incidentenregister, een schriftelijke verklaring aan verzoeker verstrekt dat deze melding en registratie zijn ingetrokken. Daarnaast verzoekt verzoeker de rechtbank (iii) te beslissen dat ASR de nog openstaande buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand van € 66.664,55 dient te voldoen en een voorschot op de komende kosten van rechtsbijstand van € 3.000 dient te voldoen. Verder verzoekt verzoeker dat de rechtbank (iv) beslist dat ASR een voorschot van € 15.000 aan materiële schade en € 5.000 aan immateriële schade aan verzoeker moet betalen.De rechtbank stelt vast dat verzoek (i) is gericht op een verzekeringsrechtelijke kwestie en dat verzoek (ii) is gericht op verwijdering van gegevens uit een persoonsregister. Dit betreffen geschilpunten die niet zien op hetgeen tussen partijen rechtens geldt ter zake van aansprakelijkheid voor schade door letsel. Voor dergelijke verzoeken is naar het oordeel van de rechtbank de deelgeschilprocedure niet bedoeld. Deze twee verzoeken vallen dan ook niet binnen de reikwijdte van art. 1019w Rv, zodat verzoeker daarin niet-ontvankelijk is.Ten aanzien van de gevorderde nog openstaande buitengerechtelijke kosten (verzoek iii) is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van art. 6:96 lid 2 BW. De specificaties van de opgevoerde kosten zijn onvoldoende concreet. Niet duidelijk is waarom er zoveel cliëntcontact en contact met derden tegen een relatief hoog, specialistisch tarief moest plaatsvinden. De rechtbank concludeert dat niet kan worden gezegd dat verzoeker aanspraak heeft op een vergoeding van buitengerechtelijke kosten die het reeds door ASR betaalde bedrag van € 5.996,51 overstijgt. Ook wijst de rechtbank het verzochte voorschot op de komende kosten van rechtsbijstand af, omdat niet vast staat dat deze kosten gemaakt zullen worden. Ten aanzien van verzoek (iv) oordeelt de rechtbank dat verzoeker het gevorderde voorschot aan materiële schadevergoeding onvoldoende heeft onderbouwd. Niet kan worden gezegd dat verzoeker aanspraak heeft op een materiële schadevergoeding die het reeds door ASR betaalde bedrag van € 7.600 aan voorschotten overstijgt. De rechtbank wijst het verzoek daarom af. Wel kent de rechtbank een voorschot van € 2.000 aan immateriële schadevergoeding toe, gelet op het blijvende beenlengteverschil, het ontsierende litteken op het bovenbeen en het feit dat verzoeker drie maanden met krukken heeft moeten lopen en onder behandeling van een fysiotherapeut heeft gestaan.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren