VR 2016/103 Is het gras van de buren groener?

VR 2016/103 Eva van Luijk, vergelijking van aansprakelijkheidsconstructies voor lichte verkeersovertredingen

Eenvoudige verkeersovertredingen, zoals snelheidsovertredingen, worden in Nederland afgedaan via de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (de Wahv, ook bekend als de Wet Mulder). Een belangrijke reden voor het invoeren van de Wahv rond het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw, was dat men verwachtte dat een niet-strafrechtelijke afdoening van verkeersovertredingen efficiënter zou zijn dan destijds op grond van de Wegenverkeerswet mogelijk was. Een efficiëntere handhaving van de verkeervoorschriften werd noodzakelijk geacht om de verkeersveiligheid te verbeteren. Om een efficiënte handhaving mogelijk te maken, is in de Wahv gekozen voor aansprakelijkheid op basis van kenteken: de kentekenaansprakelijkheid. De kentekenaansprakelijkheid is een aansprakelijkheidsconstructie waarmee op basis van het kenteken de kentekenhouder aansprakelijk wordt gesteld voor verkeersovertredingen waarvan op het moment van het begaan van die overtreding niet kon worden vastgesteld door wie de overtreding is begaan. Hiertegen zijn destijds vanuit strafrechtelijke hoek bezwaren geuit vanwege de beperkte disculpatiemogelijkheden. Het bezwaar dat door die beperkte disculpatiemogelijkheden de aansprakelijkheidsconstructie in strijd zou zijn met het schuldbeginsel is de aanleiding voor deze bijdrage. In Duitsland en Engeland wordt bij lichte verkeersovertredingen gestreefd naar bestraffing van de bestuurder die de overtreding heeft begaan. Het nastreven van bestraffing van de werkelijke bestuurder, ook bij lichte verkeersovertredingen, lijkt meer in lijn met het schuldbeginsel. Dit bracht mij op de vraag: ‘is het gras bij de buren groener?’

VR 2016/104 Dodelijk ongeval. Schuld.

Verdachte raakt met auto in een flauwe bocht van de weg af en rijdt in op fietsers, die op een vrijliggend fietspad rijden. Fietsers - grootouders met kleindochter - overlijden ten gevolge van het ongeval. Het hof acht bewezen dat verdachte reed met een aanmerkelijk hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan. Verdachte heeft zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam gedragen. Overtreding van art. 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, meermalen gepleegd.

VR 2016/105 Educatieve maatregel alcohol en verkeer. Juistheid proces-verbaal.

CBR heeft appellant een educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: EMA) opgelegd. Appellant betwist juistheid van het proces-verbaal naar aanleiding waarvan EMA is opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 16 januari 2013 in zaak "nr". 201204366/1/A3), mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. De enkele betwisting van hetgeen in het proces-verbaal en de bijlage is vermeld, is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid ervan.Appellant is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vrijgesproken van overtreding van art. 8 lid 2, aanhef en onder a, WVW 1994. Dit brengt in dit geval niet met zich dat de grondslag aan het vermoeden bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de WVW 1994 is komen te ontvallen.

VR 2016/106 Arbeidstijdenwet. Tenuitvoerlegging boete in anderelidstaten.

Boete wegens rijden zonder geldige bestuurderskaart. Omdat de overtreding heeft plaatsgevonden met of door middel van een voertuig waarvan aannemelijk is dat de bestuurder in Nederland geen bekende woon- of verblijfplaats heeft, is de boete direct ter plaatse geïnd. Naar het oordeel van de Afdeling maakt artikel 10:15, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet (Atw), door bij het opleggen van een boete aan een bestuurder van een motorrijtuig die geen bekende woon- en verblijfplaats in Nederland heeft dan wel in opdracht van een niet in Nederland gevestigde werkgever rijdt, te voorzien in de mogelijkheid die boete direct te innen, een onderscheid naar ingezetenschap dat hoofdzakelijk in het nadeel werkt van onderdanen van andere lidstaten. Boete valt binnen toepassingsbereik Kaderbesluit 2005/214/JBZ. Gelet op het toepassingsbereik van het Kaderbesluit bestond binnen de Unie een Unierechtelijke regeling die voorzag in de tenuitvoerlegging in een andere lidstaat van de aan appellant opgelegde boete. Daarmee bestaat geen objectieve rechtvaardiging meer voor het in de Atw gemaakte onderscheid. Bij het ontbreken van een objectieve rechtvaardiging is ten onrechte overgegaan tot het opleggen van een boete met toepassing van artikel 10:17 van de Atw. Het besluit wordt wegens strijd met artikel 18 van het VWEU vernietigd.

VR 2016/107 Kentekenhouder. Huurovereenkomst. Huurder voldoende identificeerbaar.

Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom, met 12 km/h”. Betrokkene had het voertuig ten tijde van de gedraging verhuurd. De wet noch de wetsgeschiedenis bieden een aanknopingspunt voor de beoordeling van de vraag welke gegevens van de huurder moet worden vermeld in de in artikel 8, aanhef en onder b, WAHV bedoelde huurovereenkomst. De strekking van artikel 8, onder, b, van de WAHV brengt mee dat de huurder voldoende identificeerbaar dient te zijn teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de administratieve sanctie op te leggen aan de huurder van het motorrijtuig. Door te stellen dat in de huurovereenkomst een geboortedatum en -plaats van de huurder moet zijn opgenomen om een beroep op artikel 8 aanhef en onder b, van de WAHV te doen slagen, heeft de officier van justitie miskend dat wet noch parlementaire geschiedenis een dergelijk vereiste stellen.

Pagina's