rijbewijs

VR 2020/84 Rijbewijs. Invordering. Inhouding. Overgifte.

Jurisprudentie
De vordering tot overgifte van een rijbewijs kan niet worden gelijkgesteld aan de invordering van een rijbewijs. De vordering tot overgifte houdt in de plicht tot het inleveren van het rijbewijs. Bij een invordering is een rijbewijs ook daadwerkelijk ingenomen. Die invordering is van kracht zolang het rijbewijs niet is teruggegeven. Deze veiligheidsmaatregel verliest zijn rechtskracht derhalve slechts door teruggave van het rijbewijs op grond van een daartoe strekkende beslissing van de officier van justitie, dan wel op last van de rechter naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in

VR 2020/33 Ongeldig rijbewijs. Bewijs.

Jurisprudentie
Uit de bewijsvoering kan niet zonder meer volgen dat het besluit van het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte aan de verdachte is bekendgemaakt en op het moment van het tenlastegelegde van kracht was. Voorts kan uit de bewijsvoering niet zonder meer volgen dat aan de verdachte na de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs geen ander rijbewijs is afgegeven. Uit de bewijsvoering kan bovendien niet zonder meer volgen dat de verdachte "wist" dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard; anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, is de omstandigheid dat het CBR het besluit

VR 2019/205 Rijden met ongeldig verklaard rijbewijs. Datum van ingang. Bekendmaking.

Jurisprudentie
Art. 132, vierde lid, WVW 1994 bepaalt dat de ongeldigverklaring van kracht is met ingang van de zevende dag na die waarop het besluit tot ongeldigverklaring aan de houder van het rijbewijs is bekendgemaakt. Van enige vorm van bekendmaking van het besluit aan de verdachte geven de gebezigde bewijsmiddelen echter geen blijk. Derhalve kan in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat het rijbewijs van de verdachte op 3 juni 2014 ongeldig was verklaard, zodat evenmin uit deze bewijsmiddelen kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs

VR 2019/8 WAM-verzekering; regres; ontbreken geldig rijbewijs.

Jurisprudentie
Een vriendin van gedaagde heeft met zijn auto een ongeval veroorzaakt. De WAM-verzekeraar heeft de schade van de wederpartij vergoed en neemt nu regres op gedaagde omdat de vriendin ten tijde van het ongeval niet beschikte over een geldig rijbewijs. De vordering wordt toegewezen. De vriendin beschikte uitsluitend over een Haïtiaans rijbewijs, terwijl zij op grond van de Landsverordening wegverkeer slechts mocht rijden met een Arubaans rijbewijs. Zij beschikte dus inderdaad niet over een geldig rijbewijs en op grond van de polisvoorwaarden bestaat er in die situatie geen dekking.

VR 2018/02 Verkeerscontrole. Rijbewijs ter inzage afgeven.

Jurisprudentie
Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie opgelegd ter zake van “niet op eerste vordering behoorlijk het rijbewijs ter inzage afgeven”. Op basis van het gestelde in artikel 160 lid 4 WVW 1994 zijn ambtenaren van politie bevoegd voertuigen staande te houden ter controle van de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet vastgestelde voorschriften. Uit hetgeen de verbalisanten hebben gerelateerd blijkt dat zij bezig waren met een controle op de juiste naleving van de feiten gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet. De staandehouding was dus niet

VR 2017/22 Teruggave buitenlands rijbewijs.

Jurisprudentie
Teruggave ingevorderd rijbewijs. Buitenlandse rijbewijzen kunnen worden ingevorderd en ingehouden in de gevallen bedoeld in het tweede en derde lid van artikel 164 WVW 1994. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, is daarbij niet vereist dat de houder van het rijbewijs in Nederland woonachtig is. Daaraan doet niet af dat in de gevallen waarin art. 180, vierde lid, WVW 1994 toepasselijk is, op grond van art. 180, achtste lid, WVW 1994 de verplichting om het rijbewijs in te leveren niet geldt indien de houder van het buitenlandse rijbewijs niet in Nederland woonachtig is. Art. 180, vierde lid

VR 2017/18 Ontzegging recht gebruikmaking rijbewijs op grondgebiedandere lidstaat.

Jurisprudentie
Oostenrijkse betrokkene (gewone verblijfplaats in Oostenrijk) rijdt onder invloed van verdovende middelen op Duits grondgebied. Duitse autoriteiten hebben jegens betrokkene een maatregel genomen strekkende tot intrekking van haar Oostenrijkse rijbewijs op het Duitse grondgebied. De artikelen 2, lid 1, en 11, lid 4, tweede alinea, van richtlijn 2006/126 moeten aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een lidstaat op wiens grondgebied de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs tijdelijk verblijft, weigert de geldigheid van dit rijbewijs te erkennen

VR 2017/03 Ne bis in idem. Ongeldigverklaring rijbewijs. Ontzeggingrijbevoegdheid.

Jurisprudentie
Rijden onder invloed. CBR verklaart rijbewijs ongeldig, hof legt verdachte ontzegging van de rijbevoegdheid op. De opvatting dat de door het hof opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid in strijd is met het aan art. 14, zevende lid, IVBPR en art. 68 Sr ten grondslag liggende ne bis in idem-beginsel, aangezien (mede) naar aanleiding van het in de onderhavige zaak aan de verdachte tenlastegelegde feit diens rijbewijs op de voet van art. 134, tweede lid, WVW 1994 ongeldig is verklaard, is onjuist. Dat berust op het volgende.De ongeldigverklaring van het rijbewijs is een bestuurlijke maatregel

VR 2016/169 Tonen rijbewijs. Aankondiging beschikking.
Gelijkheidsbeginsel.

Jurisprudentie
Bestuurlijke sanctie. Betrokkene heeft niet op eerste vordering zijn rijbewijs aan de verbalisant getoond. De verbalisant was noch op grond van de wet noch op enige andere grond verplicht de betrokkene in de gelegenheid te stellen zijn rijbewijs alsnog te komen tonen. De enkele omstandigheid dat andere agenten in andere gevallen om welke reden dan ook een betrokkene eerst de gelegenheid hebben geboden om alsnog het rijbewijs te komen tonen en deze betrokkenen mogelijk geen sanctie is opgelegd, heeft niet tot gevolg dat in dit geval, waarin vaststaat dat de gedraging is verricht, de betrokkene