VR 2019/71 Schadebegroting; redelijke verwachtingen.

In 1996 is eiser, toen 30 jaar oud, een verkeersongeval overkomen. Direct na het ongeval was sprake van hoofd- en nekklachten. In 1997 en 2000 is eiser bovendien opgenomen geweest op de psychiatrische afdeling van verschillende ziekenhuizen. In 2001 stelde psychiater A de diagnose schizofrenie, waarbij hij overwoog dat het ongeval weliswaar mogelijk een luxerende factor was geweest, maar er op dat moment geen aanwijzingen meer waren dat de schizofrenie het gevolg was van het ongeval. In 2004 is eiser bovendien onderzocht door psychiater B, die onder meer concludeert dat eiser, indien het ongeval hem niet zou zijn overkomen, vermoedelijk op enig moment toch schizofrenie zou hebben ontwikkeld; het precieze moment waarop deze klachten dan zouden zijn ontstaan kan weliswaar niet worden vastgesteld, maar dit zou vermoedelijk vóór het 40e levensjaar van eiser zijn gebeurd. De rechtbank oordeelde dat de schizofrene klachten vanaf medio 2001 (het jaar waarin eiser 35 werd) niet langer aan het ongeval zouden kunnen worden toegerekend. Ook in de situatie zonder ongeval zou eiser vermoedelijk immers op enig moment schizofrene klachten hebben ontwikkeld en het is redelijk om dit moment te kiezen. Dat betekent dat eiser vanaf medio 2001 hoe dan ook arbeidsongeschikt geworden zijn zou en dat de extra schade die vanaf dat moment is ontstaan, niet meer door Achmea hoeft te worden vergoed.Het hof deelde dat oordeel, maar gelastte nog nader onderzoek naar de fysieke klachten. Neuroloog Verhagen overwoog in zijn rapportage onder meer dat sprake lijkt te zijn van whiplashklachten, maar dat ook de mogelijkheid bestaat dat in de loop van de tijd 'tendomyogene nekklachten niet van traumatische aard' zijn ontstaan samenhangend met de karakterstructuur en psychische problematiek van eiser. Verhagen wees er in dat verband op dat chronische nekklachten ook zonder ongeval relatief veel voorkomen en dat onder meer stress het risico op het ontstaan van dergelijke klachten verhoogt. Het hof concludeerde onder verwijzing naar deze rapportage dat het bestaan van alternatieve oorzaken voor de nekklachten van eiser niet kan worden uitgesloten en dat eiser er (dus) niet in is geslaagd te bewijzen dat de nekklachten het gevolg zijn van het ongeval in 1996. Het cassatiemiddel behelst in essentie een aantal motiveringsklachten.De A-G verwijst voor het algemene kader voor de begroting van (arbeids)vermogensschade naar een recente (uitgebreide) conclusie van Hartlief (ECLI:NL:PHR:2016:1197). Na een vergelijking met drie recente arresten (respectievelijk ECLI:NL:HR:2017:273, ECLI:NL:HR:2015:3397 en ECLI:NL:HR:2017:2786) concludeert de A-G dat het oordeel van het hof ten aanzien van de psychische klachten niet onjuist en niet onbegrijpelijk is. Het belangrijkste verschil met het arrest Moonen/Vossen is dat in deze zaak meerdere concrete aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat eiser op enig moment tussen het 30e en het 40e levensjaar ook in de situatie zonder ongeval zodanige schizofrene klachten zou hebben ontwikkeld dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn geworden. In die situatie is het niet onbegrijpelijk dat het hof, dat nu eenmaal een knoop moest doorhakken, is uitgegaan van een moment ongeveer halverwege. Weliswaar had het hof ook kunnen kiezen voor het voor eiser meest gunstige uitgangspunt (diens 40e verjaardag), maar de feitenrechter is niet gehouden om steeds zonder meer te kiezen voor het uitgangspunt dat voor het slachtoffer het gunstigst is. Ook ten aanzien van de fysieke klachten acht de A-G het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Het is conform art. 150 Rv in beginsel aan eiser om het causaal verband tussen het ongeval en zijn nekklachten te bewijzen. Het hof heeft daarbij het voor eiser gunstige uitgangspunt van het arrest Zwolsche Algemeene/De Greef (ECLI:NL:HR:2001:AB2054) gehanteerd: in beginsel is het bewijs van het causaal verband geleverd indien het slachtoffer de klachten vóór het ongeval niet had, de klachten op zichzelf door het ongeval kunnen zijn veroorzaakt en een alternatieve oorzaak voor de klachten ontbreekt. Het oordeel van het hof dat het bestaan van alternatieve klachten in dit geval niet kon worden uitgesloten is niet onbegrijpelijk, mede gelet op de ruime beoordelingsmarge die de feitenrechter heeft bij het waarderen van een deskundigenbericht. Het hof heeft daaruit terecht de consequentie getrokken dat eiser niet geslaagd is te bewijzen dat de klachten het gevolg zijn van het ongeval. De Hoge Raad volgt, met toepassing van art. 81 RO, de conclusie van de A-G.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren