VR 2017/145 Aansprakelijkheid werkgever; verkeersongeval tijdens woon-werkverkeer.

Appellant was in dienst van een tankstation. In 2007 is hem een ongeval overkomen toen hij naar huis fietste. De WAM-verzekeraar van de wederpartij heeft hem in verband daarmee ruim € 100.000,- betaald. De werkgever had tevens ten behoeve van de werknemers een ongevallenverzekering afgesloten, op grond waarvan appellant bij blijvende invaliditeit nog eens ruim € 113.000,- zou krijgen. De werkgever heeft het ongeval gemeld bij de ongevallenverzekeraar, die na onderzoek heeft geweigerd tot uitkering over te gaan. Appellant is daartegen opgekomen, maar is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het ongelijk gesteld. Vervolgens heeft hij de werkgever gedagvaard en gevorderd dat deze hem een bedrag ter grootte van de misgelopen uitkering zou betalen. Deze vordering is in eerste aanleg afgewezen. In hoger beroep verwijt appellant de werkgever (1) dat hij schadelijke en onjuiste informatie over hem zou hebben verstrekt en (2) dat hij onvoldoende inspanningen zou hebben gepleegd om de ongevallenverzekeraar tot uitkering te bewegen. Het hof stelt met betrekking tot (1) vast dat appellant deze stellingen ook in hoger beroep niet concreet heeft onderbouwd. Uit hetgeen appellant heeft gesteld blijkt niet welke informatie de werkgever op welk moment aan welke partijen zou hebben verstrekt. Voor zover appellant al enkele voorbeelden noemt blijkt niet dat deze informatie onjuist was, laat staan dat de werkgever dat op het moment van het verschaffen van de informatie ook wist. Met betrekking tot (2) stelt het hof vast dat de werkgever de schade heeft gemeld bij de ongevallenverzekeraar. Deze heeft de claim in eerste instantie afgewezen en toen appellant daartegen bezwaar maakte, gevraagd om inzage in zijn volledige medisch dossier. Toen appellant die inzage weigerde, heeft de ongevallenverzekeraar een voorlopig deskundigenbericht gevraagd. Appellant heeft echter ook geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek door de deskundige. De ongevallenverzekeraar heeft de claim vervolgens definitief afgewezen omdat niet kon worden vastgesteld of er sprake was van blijvende invaliditeit. Onder deze omstandigheden, aldus het hof, is niet duidelijk in welk opzicht de werkgever nalatig zou zijn geweest.Ten slotte stelt appellant nog dat de werkgever zelf aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval, primair op grond van art. 7:658 en subsidiair op grond van art. 7:611 BW (de verplichting om als goed werkgever een adequate verzekering af te sluiten ten behoeve van de werknemers). Het hof verwerpt die stelling. Daarbij is van belang dat sprake was van woon-werkverkeer na afloop van de werkzaamheden, in privétijd en buiten het terrein waar de werkzaamheden moesten worden verricht. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad terzake is in dat geval, behoudens bijzondere omstandigheden, geen ruimte voor aansprakelijkheid van de werkgever op grond van art. 7:658 of 7:611. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is niet gebleken. De omstandigheden dat de werkzaamheden op onregelmatige tijden verricht moesten worden en dat de arbeidsplaats niet met het openbaar vervoer of te voet bereikbaar was, zijn daartoe in ieder geval niet voldoende.

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren