VR 2019/090 Dood door schuld. Roekeloosheid.

De verdachte heeft als inzittende van een personenauto tijdens het rijden met een snelheid van ongeveer 70 km per uur aan de handrem getrokken. Daardoor raakte de auto in een slip en botste vervolgens tegen een pilaar van een spoorwegviaduct. Door de botsing werd een inzittende van de auto gedood en raakte een andere inzittende zwaar gewond. De verdachte heeft op deze wijze als passagier ingegrepen in de rijrichting en de voortbeweging van de personenauto en heeft daarmee de werkelijke bestuurder daarvan totaal verrast. Aldus handelend heeft hij door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging een zeer ernstig gevaar in het leven geroepen. Verdachte was zich van dat gevaar bewust, althans had zich daarvan bewust moeten zijn. Desgevraagd heeft hij bij de politie verklaard dat de functie van een handrem is dat de auto in de parkeerstand wordt gezet en dat de auto dan geen kant meer op kan. Op de vraag wat het effect kan zijn als je aan de handrem trekt terwijl de auto nog rijdt, heeft verdachte geantwoord dat je dat niet moet doen, dat het dan een soort van noodrem is en dat hij denkt dat een auto dan gaat slippen. Derhalve heeft de verdachte zich roekeloos gedragen en is het ongeval aan verdachtes schuld in de zin van art. 6 WVW 1994 te wijten. 

 

 

De volledige uitspraken en artikelen uit Verkeersrecht zijn beschikbaar voor abonnees.
In de rechter menubalk kunt u met uw emailadres en wachtwoord inloggen.

Nog geen abonnee? Klik op onderstaande button 'Abonneren' zodat ook u toegang heeft tot de meest recente uitgave en het archief van Verkeersrecht.

Abonneren