Schadeveroorzakende toestanden: wanneer begint de lange verjaringstermijn van twintig jaar te lopen bij een vordering op grond van art. 6:174 BW?

Mr. B.T. Berends en mr. P.W. den Hollander
Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart ‘in ieder geval’ door verloop van twintig jaar na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, aldus art. 3:310 lid 1 BW. Maar wat als een gebrekkige opstal gedurende tientallen jaren in een doorlopend proces schade veroorzaakt? Wanneer begint de lange verjaringstermijn dan te lopen? Over die vraag sprak de Hoge Raad zich uit in zijn arrest van 22 maart 2019.
De feitelijke achtergrond van dit arrest is een muur in Zandvoort, naast een buitentrap van een parkeergarage. Als in april 2015 een verontruste bewoner bij de gemeente meldt dat de muur scheef staat, draagt die de eigenaar van de muur op de situatie ‘op te lossen’. De muur wordt door een aannemer deels afgebroken. Een deskundige constateert dat de scheefstand is veroorzaakt door gronddruk vanuit het naastgelegen perceel. Daarop is in 1974 een oprit aangelegd naar parkeerplaatsen bij een flatgebouw die zich anderhalve meter boven straatniveau bevinden. De deskundige adviseert de oprit te voorzien van een nieuwe grondkerende constructie. Op 21 mei 2015 stelt de parkeergarage de eigenaar van de oprit aansprakelijk. Het komt tot een procedure bij de rechtbank Noord-Holland. De parkeergarage vordert schadevergoeding op grond van de risicoaansprakelijkheid voor opstallen van art. 6:174 BW, stellend dat de oprit gebrekkig is nu deze niet is voorzien van een grondkerende constructie. Het flatgebouw betwist deze gebrekkigheid en verweert zich met onder meer een beroep op verjaring.
Het flatgebouw beroept zich in de eerste plaats op de korte, subjectieve verjaringstermijn van vijf jaar. De rechtbank en het hof in hoger beroep wijzen dit af. Zelfs als op de overgelegde foto’s uit 2011 een ‘aanzienlijke’ scheefstand zichtbaar zou zijn, zo overweegt het hof, dat de foto’s 'niet geheel duidelijk acht’, dan betekent dat nog niet dat de parkeergarage enkel op grond daarvan daadwerkelijk bekend was met de schade.
De Hoge Raad verwerpt de klachten van het flatgebouw tegen dit oordeel op grond van art. 81 Wet RO. In het arrest van de Hoge Raad komt daardoor alleen het beroep van het flatgebouw op de lange, objectieve verjaringstermijn van twintig jaar inhoudelijk aan de orde. In dit artikel bespreken de auteurs het oordeel van de Hoge Raad over deze twintigjaarstermijn.
De auteurs vinden het arrest van de Hoge Raad in de zaak van de Zandvoortse muur opvallend. De Hoge Raad verwerpt de cassatieklachten van het flatgebouw dat de aanleg van de oprit als schadeveroorzakende gebeurtenis in de zin van art. 3:310 lid 1 BW had moeten worden aangemerkt, maar komt daarmee niet toe aan beantwoording van de vraag wanneer in een geval als dit de twintigjaarstermijn begint te lopen. Die vraag beantwoordt hij vervolgens in twee overwegingen ten overvloede. Ongevraagd, want er was geen cassatiemiddel dat daarom vroeg en het gaat ook niet om een prejudiciële-vragenprocedure. De vraag is of dat wenselijk is. Het is in elk geval verwarrend, omdat de Hoge Raad tot een andere uitkomst komt dan het hof, maar het arrest van het hof kan niet worden vernietigd. Het is ook de vraag of de Hoge Raad in deze procedure niet te veel voor de troepen uit loopt. A-G Valk beperkte zich welbewust tot de cassatieklachten en liet zich niet uit over de vraag naar het aanvangsmoment van de twintigjaarstermijn, omdat daarover mogelijk later nog een cassatieberoep kan worden ingesteld. De gedachte van de Hoge Raad zal allicht zijn geweest dat hij alvast een openstaande rechtsvraag heeft beantwoord. Dat mag zo zijn, maar de vraag is of dit nu het meest geschikte moment was, en of de Hoge Raad zich niet wat terughoudender had moeten opstellen.
Wat het arrest van de Zandvoortse muur in de optiek van de auteurs verder toont, is dat beantwoording van openstaande rechtsvragen niet zelden weer nieuwe vragen oproept naar de reikwijdte van de nieuw geformuleerde rechtsregel. Zeker als de formulering niet steeds even strak is. De auteurs denken dat de Hoge Raad zijn overweging ten overvloede dat de twintigjaarstermijn bij voortdurende schadeveroorzaking aanvangt nadat de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft opgehouden te bestaan, uitdrukkelijk in het teken stelt van het specifieke gevalstype in de zaak van de Zandvoortse muur: een vordering op grond van art. 6:174 BW tot vergoeding van zaakschade, die is veroorzaakt in een doorlopend fysiek proces dat niet tot een moment valt te herleiden. In dat specifieke licht moet het ook worden begrepen, mede gezien de ratio van de twintigjaarstermijn om juist te voorkomen dat een vordering kan worden ingesteld op grond van feiten die zich vanwege dit lange tijdsverloop niet meer goed laten vaststellen. De in algemenere termen geformuleerde uitsmijter over de wetsgeschiedenis van art. 3:310 lid 1 BW doet hieraan wat hun betreft niet af en zou dat ook niet moeten doen. Over de reikwijdte van het arrest over de Zandvoortse muur wordt echter ook anders gedacht. Het debat gaat dus voort.

Bron: 
MvV 2019, afl. 6, p. 187-196