HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1055: ‘plotseling en onvoorzien’ als onzekerheidscriterium in de dekkingsomschrijving

Mr. D.B. Holthinrichs en mr. M.H.P. Leijendekker
In dit artikel gaan de auteurs aan de hand van het ‘corrosie-arrest’, over corrosieschade en een machinebreukverzekering en bedrijfsschadeverzekering, in op de door de Hoge Raad gehanteerde uitleg van het begrip ‘plotseling en onvoorzien’. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van verzekeraar Delta Lloyd gegrond in een geschil met een machinefabriek. In eerste opzicht lijkt de uitspraak voor de rechtspraktijk niet veel bijzonders om het lijf te hebben, waar de Hoge Raad (slechts) buiten twijfel lijkt te stellen dat de woorden ‘plotseling en onvoorzien’ in de dekkingsomschrijving zelfstandige betekenis hebben voor de dekkingsbeoordeling.
Volgens de auteurs speelt er echter meer. Dit hangt samen met een tweetal aspecten: de verhouding tussen het eigen gebrek als schadeoorzaak en de omschrijving van gedekte beschadiging, alsmede met de keuze van materiële beschadiging op zich. Deze twee onderwerpen maken dat deze uitspraak zich leent voor nadere bespreking.
De impliciete rechtsvraag die vanuit de voornoemde twee aspecten uit de casus spreekt, is die van de voor dekkingsbeoordeling tijdens de looptijd van de verzekering verlangde mate van onzekerheid. Ondanks dat het begrip ‘onzeker voorval’ uit de wet is verdwenen, is de discussie over onzekerheid als dekkingscriterium niet verstomd. Dit is in zoverre niet verwonderlijk, omdat de verzekeringsvoorwaarden veelal een definitie zullen geven van de mate van vereiste onzekerheid ter zake van het zich voordoen van de schade. Het ‘corrosie-arrest’ is volgens de auteurs een voorbeeld van een dergelijke definitie van het onzeker voorval in de dekkingsomschrijving, in dit geval geduid als een plotselinge en onvoorzienbare materiële beschadiging. Delta Lloyd bepleitte in de procedure daarentegen dat met het criterium alle geleidelijke schades buiten de dekkingsomschrijving worden gehouden.
In het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep lag in deze zaak verder nog besloten dat niet de corrosie als verzekerd evenement moest gelden, maar het scheuren en het lossmelten van de strips en het ontstaan van hotspots en gaten in het koelframe. Daarmee zou wel voldaan zijn aan het dekkingscriterium ‘plotseling en onvoorzien’. De auteurs menen dat de motivering van de verwerping door de Hoge Raad van dit cassatiemiddel niet begrijpelijk is.
Deze zaak biedt interessante aanknopingspunten voor de rechtspraktijk, zo menen de auteurs. Het criterium ‘plotseling en onvoorzien’ is vervat in veel dekkingsomschrijvingen van diverse all-riskverzekeringen (bijvoorbeeld opstalverzekeringen), waarin eveneens dekking geldt voor schade ten gevolge van eigen gebreken. Bij uitleg kunnen er onwenselijke uitkomsten ontstaan. De auteurs menen dus dat op polisniveau de onder oud recht bestaande discussie omtrent het aleatoire karakter van verzekeringen nog voortleeft. Zodoende vinden zij het zonde om de jurisprudentie en literatuur omtrent het onzeker voorval te negeren. Er kan voor dit soort dekkingsdiscussies juist lering uit worden getrokken om de juiste maatstaf voor uitleg van de verzekeringsvoorwaarden aan te leggen.
Als deze dekkingskwestie immers niet met de redelijke uitleg kan worden opgelost, zou in een voorkomend geval, om onwelgevallige resultaten ter zake schade vanwege eigen gebrek te voorkomen, gezocht moeten worden naar ingrijpender oplossingen, zoals de (reparatiefunctie van de) derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ex art. 6:248 BW. Dit lijkt hier niet de meest zuivere oplossing. Bovendien zou het, bijvoorbeeld in veel voorkomende gevallen dat verzekeringsnemer consument is, niet nodig moeten zijn dat op grond van het Van Hove-arrest beoordeeld dient te worden of het criterium ‘plotseling en onvoorzien’ in dekkingsomschrijving tot een voor verzekeringnemer verrassende dekkingsbeperking leidt, zodat mogelijk sprake is van een oneerlijk beding.
Om dergelijke discussies omtrent de uitleg van het begrip ‘plotseling en onvoorzien’ te voorkomen, zouden verzekeraars er verstandig aan doen om nader te duiden of zij in de dekkingsomschrijving een onzekerheidscriterium hebben opgenomen of dat zij slechts dekking beogen te bieden voor schades die kortstondig na een verzekerde gebeurtenis intreden (in de zin van causa proxima). In dat laatste geval dient verzekeraar zich naar oordeel van de auteurs sterk af te vragen of hij wel dekking wenst te bieden voor de gevolgen van een eigen gebrek.
 

Bron: 
AV&S 2018, afl. 1, p. 3-8