De verjaring van een vordering tot schadevergoeding op grond van de blootstelling aan asbest na Heijnen/Maersk

Mr. P.T.J. Wolters
Blootstelling aan asbest kan mesothelioom veroorzaken. Deze ziekte manifesteert zich in veel gevallen pas na meer dan dertig jaar. Het slachtoffer heeft in deze gevallen nooit een kans gehad om de schade te verhalen op een eventuele aansprakelijke partij. Artikel 3:310 lid 2 BW stelt immers dat deze vordering in ieder geval dertig jaar na de laatste blootstelling verjaart. De uitzondering van lid 5 geldt op grond van artikel 119b BW Overgangswet Nieuw BW niet voor gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan voor 1 februari 2004.
De Hoge Raad besteedt in verschillende arresten aandacht aan deze problematiek. In HR 24 maart 2017, RvdW 2017/368 (Heijnen/Maersk) oordeelt de Hoge Raad opnieuw over deze kwestie. Het arrest is om verschillende redenen van belang. De Hoge Raad beslist allereerst opnieuw dat het systeem van HR 28 april 2000, NJ 2000/430 (Van Hese/Koninklijke Schelde) niet in strijd is met het recht op toegang tot de rechter van artikel 6 lid 1 EVRM. De belangrijkste vernieuwing van het arrest zit in de sturing met betrekking tot de verschillende gezichtspunten in Van Hese/Koninklijke Schelde. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat de toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn. Of dit in een concreet geval zo is, hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechter moet hierbij in ieder geval aandacht besteden aan de volgende gezichtspunten: a. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel nadeel dat niet in vermogensschade bestaat en of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde; b. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak of een uitkering uit andere hoofde bestaat; c. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten; d. in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn; e. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren; f. of de aansprakelijkheid (nog) door de verzekering is gedekt; g. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.
Dit systeem stuit echter op veel kritiek. Het zou leiden tot onduidelijkheid, onder andere doordat de feitenrechters de verschillende gezichtspunten op een wisselende manier waarderen. Verschillende auteurs pleiten daarom voor een verduidelijking van de maatstaf. De Hoge Raad komt in Heijnen/Maersk gedeeltelijk aan deze wensen tegemoet. De Hoge Raad oordeelt dat aan de gezichtspunten c en e meer gewicht toekomt dan aan de andere factoren.
Verschillende auteurs vinden echter dat deze verduidelijking van Heijnen/Maersk niet ver genoeg gaat. Deze kritiek is in de eerste plaats gebaseerd op de onzekerheid over de toepassing van de gezichtspuntencatalogus. Zij is bovendien van belang omdat advocaat-generaal Hartlief in zijn conclusie een verdergaand voorstel voor een verduidelijking formuleert. Hartlief stelt dat de beperking van de verjaring aan de orde is als de aangesprokene niet onevenredig in zijn processuele belangen is geschaad, er een materiële rechtvaardiging voor de beperking bestaat en de overige omstandigheden niet aan de beperking in de weg staan. Dit voorstel vervangt een afweging van alle omstandigheden van het geval door een beperkt aantal vereisten. Inhoudelijk komen deze vereisten grotendeels overeen met de toepassing van de gezichtspuntencatalogus in de bestaande jurisprudentie. Hoewel rechters verplicht blijven de gezichtspuntencatalogus van Van Hese/Koninklijke Schelde toe te passen, kunnen zij zich bij hun eindafweging laten inspireren door het voorstel.
De auteur concludeert dat Heijnen/Maersk bijdraagt aan een duidelijkere en consistentere toepassing van het systeem van Van Hese/Koninklijke Schelde. Het arrest draagt hierdoor bij aan het oordeel dat het Nederlandse recht niet in strijd is met artikel 6 lid 1 EVRM. Het alternatief van Hartlief verschilt bovendien inhoudelijk nauwelijks van het bestaande recht. Dit suggereert dat uiteindelijk niet de inhoudelijke toetsing van de verjaring in de praktijk tot onzekerheid leidt, maar de vorm waarin de norm is opgesteld. De werking van de gezichtspuntencatalogus is moeilijk te doorgronden zonder uitgebreide studies. Deze complicatie kan ook van belang zijn voor de toetsing van het Nederlandse recht aan artikel 6 lid 1 EVRM. Het EHRM heeft in deze kwestie het laatste woord. Het is maar de vraag of dit Hof in een eventuele toekomstige procedure dezelfde waarde aan de billijkheidsuitzondering zal hechten als de Hoge Raad.
 

Bron: 
TVP 2017, afl. 3, p. 80-85