Begroting van immateriële schade: over de betekenis van de duur van het lijden bij blijvend en bij dodelijk letsel

Mr. dr. M.R. Hebly
Deze bijdrage handelt over de betekenis van de duur van het lijden bij begroting van immateriële schade in verband met blijvend letsel en bij dodelijk letsel. Volgens de Hoge Raad is de duur van het lijden een omstandigheid die de rechter bij de begroting van het smartengeld in het bijzonder moet meewegen, maar in de literatuur wordt opgemerkt dat de betekenis van deze factor niet steeds duidelijk is. Deze bijdrage beoogt op dit punt de stand van zaken in de rechtspraak en in de Nederlandstalige literatuur weer te geven en een nadere analyse te bieden van de betekenis van deze factor.
De schrijver zet eerst uiteen aan de hand van welke factoren de rechter de vergoeding voor ander nadeel dan vermogensschade in verband met letsel moet vaststellen, waarna het duurschadekarakter van de immateriële schade wegens letsel wordt geanalyseerd. Vervolgens worden twee gedachtelijnen nader uitgewerkt. Daarna wordt ingegaan op de ‘klassieke’ benadering volgens welke jonge slachtoffers met blijvend letsel meer smartengeld krijgen omdat zij naar verwachting een langere periode hinder zullen ondervinden van blijvend letsel. De volgende paragraaf staat in het teken van het overlijden van het slachtoffer, dat de lijdensduur beperkt. Er wordt kort ingegaan op de betekenis van de lijdensduur volgens alternatieve, meer gestandaardiseerde benaderingen van vaststelling van smartengeld.
Het ligt voor de hand om immateriële schade wegens (blijvend) letsel te beschouwen als duurschade: nadelen op het immateriële vlak ontvouwen zich immers van moment tot moment met het verstrijken van de tijd. Een en ander impliceert een min of meer evenredige samenhang tussen de omvang van de immateriële schade en de lengte van de periode waarin het slachtoffer moet leven met de feitelijke gevolgen van een ongeval of misdrijf. Dat verklaart waarom jeugdige slachtoffers doorgaans meer smartengeld ontvangen dat oudere slachtoffers die vergelijkbaar blijvend letsel hebben.
Voorzichtigheid blijft evenwel geboden: uiteindelijk lijkt immers vooral beslissend op welke wijze het letsel in het concrete geval het leven van de getroffene beïnvloedt. Komt het slachtoffer enige tijd na de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis te overlijden, dan wordt de duur van het lijden in zoverre beperkt, maar kunnen andere factoren – doodsangst en verdriet wegens verkorting van de levensverwachting, maar ook de ernst van de normschending – juist weer in ophogende richting worden meegewogen. Uiteindelijk gaat de factor lijdensduur immers op in de meeromvattende begroting naar billijkheid.

Bron: 
TVP 2019, afl. 2, p. 25-32